A1.20.2 - Werkwoorden met stamverandering
Verben mit Stammveränderung
Lerne die fünf Hauptregeln, um die Stammänderungen bei Verben zu verstehen.
(Leer de vijf hoofdregels om de stamveranderingen bij werkwoorden te begrijpen.)
- Bij deze werkwoorden verandert de vorm van de tegenwoordige tijd bij de 2e en 3e persoon enkelvoud.
| Stammveränderung | Verb | Beispiel |
|---|---|---|
| a → ä | Fahren (rijden) auch: Schlafen, Halten (ook: slapen, houden) | Du fährst (Jij rijdt) Er / Sie / Es fährt (Hij / Zij / Het rijdt) |
| au → äu | Laufen (lopen) auch: Saufen (ook: zuipen) | Du läufst Er / Sie / Es läuft |
| e → i | Essen auch: Geben, Helfen (ook: geven, helpen) | Du isst Er / Sie / Es isst |
| e → ie | Sehen auch: Genießen, Stehlen, (ook: genieten, stelen,) Empfehlen (aanraden) | Du siehst Er / Sie / Es sieht |
| o → ö | Stoßen | Du stößt Er / Sie / Es stößt |
Oefening 1: Werkwoorden met een stamverandering
Instructie: Vul het juiste woord in.
trinkst, läuft, stößt, fahrt, esst, helfen, hilft, fährst
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Entschuldigung, wo ___ der Einkaufswagen?
Pardon, waar ___ de winkelwagen?)2. Du ___ heute mit dem Auto zum Supermarkt.
Je ___ vandaag met de auto naar de supermarkt.)3. Er ___ den Keks noch im Supermarkt.
Hij ___ het koekje nog in de supermarkt.)4. Sie ___ die frischen Tomaten und Gurken.
Zij ___ de verse tomaten en komkommers.)Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen: Gebruik het persoonlijk voornaamwoord (jij of hij/zij) en zet de juiste stamverandering in de tegenwoordige tijd.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDu fährst jeden Morgen mit dem Fahrrad zur Arbeit.(Jij fietst elke ochtend naar je werk.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEr läuft am Sonntag im Park.(Hij loopt zondag in het park.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDu isst in der Kantine zu Mittag.(Jij eet 's middags in de kantine.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleSie sieht abends oft Serien.(Zij kijkt 's avonds vaak series.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDu schläfst am Wochenende lange.(Jij slaapt in het weekend lang.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleEr stößt das Fenster auf.(Hij stoot het raam open.)
Pas deze grammatica toe tijdens echte gesprekken!
Deze grammatica-oefeningen maken deel uit van onze conversatiecursussen. Vind een leraar en oefen dit onderwerp tijdens echte gesprekken!
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen
Geschreven door
Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage