In deze les leer je hoe je de toekomst uitdrukt met het Duitse Präsens, bijvoorbeeld met tijdsaanduidingen als "morgen" en "nächste Woche" en werkwoorden zoals "fahre" en "beginnt" voor vaste plannen en afspraken.
- Het werkwoord blijft in de tegenwoordige tijd, de tijdsaanduiding geeft de toekomst aan.
- Deze vorm wordt vaak gebruikt bij vast geplande gebeurtenissen zoals afspraken, reizen, dienstregelingen of programma's.
Zeitangaben (Tijdaanduidingen) | Beispiel (voorbeeld) |
---|---|
Morgen, gleich, bald, nächste Woche, etc. (Morgen, direct, binnenkort, volgende week, enz.)
Uhrzeiten (Uurtaanduidingen) | „Morgen fahre ich nach Paris.“ (Morgen ga ik naar Parijs.) „Bald ziehen wir um.“ (Binnenkort verhuizen we.) „Nächste Woche habe ich einen Arzttermin.“ (Volgende week heb ik een doktersafspraak.) „Wir treffen uns um 18 Uhr.“ (We ontmoeten elkaar om 18 uur.) Um 20:00 Uhr essen wir zu Abend. (We dineren om 20:00 uur.) |
Oefening 1: Zukunft im Präsens
Instructie: Vul het juiste woord in.
fahrt, machst, regnet, ist, fährst, beginnen, fährt, beginnt
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Morgen _____ ich nach Berlin zum Geschäftstermin.
(Morgen _____ ik naar Berlijn voor de zakelijke afspraak.)2. Nächste Woche _____ der Kurs um 9 Uhr.
(Volgende week _____ de cursus om 9 uur.)3. Bald _____ wir nach München zur Messe.
(Binnenkort _____ we naar München voor de beurs.)4. Um 18 Uhr _____ ich meine Kollegen im Restaurant.
(Om 18 uur _____ ik mijn collega's in het restaurant.)5. Am Freitag _____ das neue Projekt in unserer Abteilung.
(Vrijdag _____ het nieuwe project in onze afdeling.)6. Gleich _____ ich die E-Mail an den Kunden.
(Ik _____ zo de e-mail naar de klant.)