Lessen

Bijwoorden van hoeveelheid en intensiteit: "Bien", "Beaucoup", etc...

Haal je boek

Bijwoorden van intensiteit of frequentie geven de sterkte of de hoeveelheid van een handeling of een toestand aan.

Wat doen deze bijwoorden precies?

Dit zijn bijwoorden (adverbes). Ze zeggen iets over:

  • hoe goed / hoe intens iets gebeurt: bien (goed)
  • hoeveel (hoeveelheid): peu (weinig), beaucoup (veel), assez (redelijk/genoeg)

Handige vraag om jezelf te stellen:

  • Combien ? = hoeveel? → beaucoup / peu / assez
  • Comment ? = hoe? → vaak bien

Belangrijk: ze veranderen nooit

Deze bijwoorden zijn onveranderlijk. Dus:

  • geen vrouwelijk/mannelijk
  • geen enkelvoud/meervoud

Altijd: bien, peu, beaucoup, assez (geen extra -e of -s).

Waar zet je ze in de zin? (snelle plaatsingsregels)

Wat beschrijf je? Typische plaats Voorbeeld
Een werkwoord (actie) meestal na het werkwoord Elle parle bien anglais.
Een zelfstandig naamwoord (hoeveelheid + “van”) peu/beaucoup/assez + de/d’ + zelfstandig naamwoord Il mange peu de légumes.
Een bijvoeglijk naamwoord (eigenschap) meestal ervoor Je suis assez fatigué.

De + zelfstandig naamwoord: de/d’ (niet: des)

Na beaucoup / peu / assez gebruik je bijna altijd de of d’:

  • Ils ont beaucoup d’argent.
  • Nous avons assez de temps.

Zelfcheck:

  • Zeg je in het Nederlands: veel/weinig/genoeg + van? → dan komt er in het Frans de/d’.

Typische fout:

  • beaucoup des / peu des → meestal gewoon beaucoup de / peu de

Assez: “redelijk” vs “genoeg”

Assez kan twee nuances hebben. De context beslist:

  • redelijk / best wel (intensiteit): Le café est assez bon. (best wel goed)
  • genoeg (hoeveelheid): J’ai assez d’argent. (genoeg geld)

Tip: staat er de/d’ + zelfstandig naamwoord? Dan is het bijna altijd genoeg/weinig/veel (hoeveelheid).

Combineren voor nuance (assez bien, très bien, etc.)

Je kunt een bijwoord van hoeveelheid/intensiteit combineren met een ander bijwoord:

  • Il parle assez bien anglais. (best wel goed)
  • Il parle très bien anglais. (heel goed)

Zelfcheck: het extra woord (assez, très, …) komt meestal vóór het bijwoord dat je versterkt (bien).

Mini-checklist (1 minuut) voordat je spreekt

  1. Wil je hoeveel zeggen? → beaucoup/peu/assez + de/d’ + zelfstandig naamwoord.
  2. Wil je zeggen hoe goed iets gaat? → vaak bien (meestal na het werkwoord).
  3. Wil je een eigenschap versterken (bon, cher, fatigué…)? → zet assez ervoor.
  4. Verander de vorm niet: nooit biens, peus, etc.
  1. Deze bijwoorden zijn onveranderlijk; ze veranderen niet volgens geslacht of getal.
  2. Bijwoorden van hoeveelheid beantwoorden vaak de vraag "Combien ?" ("beaucoup", "peu", "assez", "trop",...) of geven de intensiteit van de handeling aan ("bien, très, tellement"…).
Adverbes (Bijwoorden)Exemple (Voorbeeld)
Bien (goed)Elle parle bien anglais. (Ze spreekt goed Engels.)
Peu (weinig)Il mange peu de légumes. (Hij eet weinig groenten.)
Beaucoup (veel)Ils ont beaucoup d'argent. (Ze hebben veel geld.)
Assez (genoeg)Je suis assez fatigué. (Ik ben best moe.)

Uitzonderingen!

  1. Bijwoorden van hoeveelheid en intensiteit kunnen gecombineerd worden om preciezer te zijn. Exemple: Il parle assez bien anglais.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Gratis FR

Audio voorbereiden…

FR + NL

Audio voorbereiden…

1. Ce sac coûte 20 euros, c'est ____ cher ! Ce sac coûte 20 euros, c'est très cher !

Deze tas kost 20 euro, dat is ____ duur!

2. Vous payez ____ espèces ou par carte ? Vous payez en espèces ou par carte ?

Betaalt u ____ contant of met kaart?

3. Je gagne ____ d'argent, je ne peux pas acheter cette montre. Je gagne peu d'argent, je ne peux pas acheter cette montre.

Ik verdien ____ , ik kan dit horloge niet kopen.

4. Le café est ____ bon, mais il est trop cher. Le café est assez bon, mais il est trop cher.

De koffie is ____ goed, maar hij is te duur.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Réécrivez chaque phrase en plaçant l’adverbe entre parenthèses (bien, peu, beaucoup, assez) au bon endroit. Exemple : Il parle anglais. → Il parle bien anglais.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen
  1. (bien) Je parle français.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je parle bien français.
    (Je parle bien français.)
  2. (peu) Nous avons du temps pour déjeuner.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Nous avons peu de temps pour déjeuner.
    (Nous avons peu de temps pour déjeuner.)
  3. (beaucoup) Elle boit du café au bureau.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Elle boit beaucoup de café au bureau.
    (Elle boit beaucoup de café au bureau.)
  4. (assez) Je suis fatigué ce soir.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je suis assez fatigué ce soir.
    (Je suis assez fatigué ce soir.)
  5. (assez) Ils ont de l'argent pour le loyer.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ils ont assez d'argent pour le loyer.
    (Ils ont assez d'argent pour le loyer.)
  6. (assez bien) Il parle anglais.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il parle assez bien anglais.
    (Il parle assez bien anglais.)

Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio

ISBN 979-13-88253-36-2

Deze app ondersteunt dit boek.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

maandag, 07/09/2026 18:18