Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen naar zelfstandige naamwoorden, zoals 'deze' en 'dit'.

1. Waar gaan deze, die, dit, dat over?

  • Met deze, die, dit, dat wijs je iets aan: een persoon, een ding, een idee.
  • Je laat zien of iets dichtbij is of verder weg.
  • Je past het woord aan aan het grammaticale geslacht: de-woord, het-woord, meervoud, verkleinwoord.
de-woord het-woord
Dichtbij deze tafel, deze man dit huis, dit scherm
Veraf die tafel, die man dat huis, dat scherm

Belangrijk gevoel: "deze/dit" voelt als hier, bij mij; "die/dat" voelt als daar.

2. Stap 1 – Kies eerst: de of het?

Voor je een vorm kiest, moet je weten: is het een de- of een het-woord?

  • de + zelfstandig naamwoord → gebruik deze / die.
  • het + zelfstandig naamwoord → gebruik dit / dat.
de-woord de stoel → deze stoel / die stoel
het-woord het kantoor → dit kantoor / dat kantoor

Zelfcheck 1 (zonder op te zoeken):

  • de deur → … deur (dichtbij) / … deur (veraf)
  • het bord → … bord (dichtbij) / … bord (veraf)

Antwoord: deze deur / die deur – dit bord / dat bord.

3. Stap 2 – Dichtbij of veraf?

Als je weet of het een de- of het-woord is, kies je de afstand:

  • Dichtbij (fysiek of mentaal) → deze (de-woord), dit (het-woord).
  • Verafdie (de-woord), dat (het-woord).

Voorbeelden in de ruimte:

  • hier naast je: Ik neem dit glas. (het glas)
  • daar aan de andere kant van de kamer: Kun je die plant pakken? (de plant)

Voorbeelden in een gesprek (niet fysiek):

  • We praten lang over één idee → Dat idee vind ik goed.
  • Je introduceert net een nieuw rapport op tafel → Dit rapport is belangrijk.

4. Stap 3 – Meervoud en verkleinwoorden (altijd hetzelfde patroon)

4.1 Meervoud: altijd de → deze / die

  • Meervoud krijgt in het Nederlands altijd het lidwoord de.
  • Daarom gebruik je bij meervoud altijd deze (dichtbij) of die (veraf).
Enkelvoud Meervoud
de stoel → deze stoel / die stoel de stoelen → deze stoelen / die stoelen
het kantoor → dit kantoor / dat kantoor de kantoren → deze kantoren / die kantoren

Zelfcheck 2:

  • … documenten hier op tafel (dichtbij)
  • … auto’s daar op de parkeerplaats (veraf)

Mogelijke antwoorden: deze documenten – die auto’s.

4.2 Verkleinwoorden: altijd het → dit / dat

  • Verkleinwoorden op -je, -tje, -pje, -kje zijn altijd het-woorden.
  • Je gebruikt dus altijd dit (dichtbij) of dat (veraf).
het kantoortje → dit kantoortje / dat kantoortje
het tafeltje → dit tafeltje / dat tafeltje
het mapje → dit mapje / dat mapje

Typische fout:

  • deze kantoortje ✗ → dit kantoortje

5. Veelgemaakte fouten en hoe je ze herkent

5.1 Deze of dit bij dingen dichtbij?

Veel cursisten willen alles met "deze" doen voor dichtbij. Let op:

  • deze hoort bij de-woorden.
  • dit hoort bij het-woorden.
deze kantoor dit kantoor ✓ (het kantoor)
dit tafel deze tafel ✓ (de tafel)

Tip: twijfel je? Zeg eerst het lidwoord hardop: het kantoor → dit/ dat; de tafel → deze/ die.

5.2 Dat of die bij dingen ver weg?

  • die = veraf + de-woord (en meervoud).
  • dat = veraf + het-woord.
die stoel daar (de stoel) dat scherm daar (het scherm)
die huizen daar (meervoud) dat rapport daar (het rapport)

6. Dichtbij en veraf: niet alleen fysiek

"Dichtbij" en "veraf" zijn soms figuurlijk:

  • Net geïntroduceerd of belangrijk nu → vaak dit/deze.
  • Al bekend, of wat afstandelijker → vaak dat/die.

Voorbeelden in gesprekken:

  • Je legt een voorstel neer: Dit voorstel is voor de directie.
  • Je reageert kritisch: Daar ben ik het niet mee eens, dat voorstel is te duur.

We gebruiken dan"dit/dat" vaak voor hele zinnen of ideeën:

  • We moeten misschien verhuizen. Dat lijkt me geen goed idee.
  • Ik heb net een nieuw plan uitgelegd. Dit is nog vertrouwelijk.

7. Stappenplan: welk aanwijzend voornaamwoord kies ik?

  1. Kijk naar het zelfstandig naamwoord
    • Is het enkelvoud + de? → ga naar stap 2a.
    • Is het enkelvoud + het? → ga naar stap 2b.
    • Is het meervoud? → ga naar stap 2c.
    • Is het een verkleinwoord? → ga naar stap 2d.
  2. Kies dichtbij of veraf
    • 2a – de-woord, enkelvoud
      dichtbij → deze; veraf → die
    • 2b – het-woord, enkelvoud
      dichtbij → dit; veraf → dat
    • 2c – meervoud
      altijd de → dichtbij deze, veraf die
    • 2d – verkleinwoord
      altijd het → dichtbij dit, veraf dat

Mini-oefening (denk even zelf na):

  • (dichtbij) … map op je bureau (de map)
  • (veraf) … gebouw aan de overkant (het gebouw)
  • (dichtbij) … notities op de tafel (meervoud)
  • (veraf) … kopietje uit de printer (het kopietje)

Mogelijke antwoorden: deze map – dat gebouw – deze notities – dat kopietje.

8. Wat moet je vooral onthouden?

  • Stap 1: Bepaal altijd eerst: de of het, enkelvoud of meervoud, verkleinwoord of niet.
  • Stap 2: Kies de afstand: dichtbij → deze/dit, veraf → die/dat.
  • Meervoud = de → gebruik deze / die.
  • Verkleinwoord = het → gebruik dit / dat.
  • Gebruik "dit/dat" ook om te verwijzen naar een idee of hele zin.

Als je dit stappenplan rustig volgt, kun je in gesprekken zelfverzekerd kiezen tussen deze, die, dit en dat.

  1. Gebruik 'deze' en 'dit' voor zaken dichtbij, en 'die' en 'dat' voor zaken verder weg.
  2. Het aanwijzend voornaamwoord komt overeen met het geslacht en artikel van het woord.
 de-woordhet-woord
Dichtbijdezedit
Verafdiedat

Uitzonderingen!

  1. Verkleinwoorden hebben altijd het artikel 'het' en gebruiken dus altijd 'dit' of 'dat'.
  2. Meervouden hebben altijd het artikel 'de' en gebruiken dus altijd 'deze' of 'die'.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Kijk, ___ cirkel op het scherm is blauw en die cirkel aan de muur is rood.


2. Ik wil ___ vierkant groter maken, maar dat vierkant op de tekening moet klein blijven.


3. ___ rechthoeken hier zijn heel breed, maar die lijnen daar zijn smal.


4. Vind jij ___ kleine vierkantje mooi of vind je dat vierkantje op de andere foto mooier?


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en vul deze, dit, die of dat in om te laten zien of iets dichtbij of ver weg is (let op: de-woorden, het-woorden, meervoud en verkleinwoorden).

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (deze) Ik wil graag ______ tafel bij het raam kopen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik wil graag deze tafel bij het raam kopen.
  2. Hint Hint (dat) Kijk, ______ appartement daar op de hoek is heel modern.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Kijk, dat appartement op die hoek is heel modern.
  3. Hint Hint (deze) Vind jij ______ stoelen hier in de vergaderruimte ook zo comfortabel?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Vind jij deze stoelen hier in de vergaderruimte ook zo comfortabel?
  4. Hint Hint (dit) Ik vind ______ kantoortje boven in het gebouw te klein.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik vind dit kantoortje boven in het gebouw te klein.
  5. Hint Hint (die) Weet jij van wie ______ lampen daar aan het plafond zijn?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Weet jij van wie die lampen daar aan het plafond zijn?
  6. Hint Hint (dit) Ik neem ______ bureau naast het raam; jij kunt ______ bureau daar nemen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik neem dit bureau naast het raam; jij kunt dat bureau daar nemen.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek samen welke vormen en figuren jullie in de werkruimte willen.

Situatie
Je bespreekt met een collega het ontwerp van een nieuwe werkruimte.

Bespreek
  • Welke vormen vind je mooi in een kantoor? Waarom?
  • Welke vormen zijn praktisch voor tafels, kasten en lampen? Geef voorbeelden.

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik vind deze cirkel mooi, maar die driehoek niet.
  • Willen we dit vierkant bureau of dat rechthoekige bureau?
  • Zijn deze lijnen recht of krom in de tekening?

Gebruik in gesprek
  • deze / die + de-woord
  • dit / dat + het-woord
  • deze / die + meervoud

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage