A1.27.2 - Aanwijzende voornaamwoorden (deze, die, dit, dat)
Aanwijzende voornaamwoorden (deze, die, dit, dat)
Aanwijzende voornaamwoorden verwijzen naar zelfstandige naamwoorden, zoals 'deze' en 'dit'.
- Gebruik 'deze' en 'dit' voor zaken dichtbij, en 'die' en 'dat' voor zaken verder weg.
- Het aanwijzend voornaamwoord komt overeen met het geslacht en artikel van het woord.
| de-woord | het-woord | |
|---|---|---|
| Dichtbij | deze (deze) | dit (dit) |
| Veraf | die (die) | dat (dat) |
Uitzonderingen!
- Verkleinwoorden hebben altijd het artikel 'het' en gebruiken dus altijd 'dit' of 'dat'.
- Meervouden hebben altijd het artikel 'de' en gebruiken dus altijd 'deze' of 'die'.
Oefening 1: Aanwijzende voornaamwoorden (deze, die, dit, dat)
Instructie: Vul het juiste woord in.
Die, Deze, Dat
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Kijk, ___ cirkel op het scherm is blauw en die cirkel aan de muur is rood.
2. Ik wil ___ vierkant groter maken, maar dat vierkant op de tekening moet klein blijven.
3. ___ rechthoeken hier zijn heel breed, maar die lijnen daar zijn smal.
4. Vind jij ___ kleine vierkantje mooi of vind je dat vierkantje op de andere foto mooier?
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen en vul deze, dit, die of dat in om te laten zien of iets dichtbij of ver weg is (let op: de-woorden, het-woorden, meervoud en verkleinwoorden).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk wil graag deze tafel bij het raam kopen.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleKijk, dat appartement op die hoek is heel modern.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleVind jij deze stoelen hier in de vergaderruimte ook zo comfortabel?
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk vind dit kantoortje boven in het gebouw te klein.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWeet jij van wie die lampen daar aan het plafond zijn?
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk neem dit bureau naast het raam; jij kunt dat bureau daar nemen.
Pas deze grammatica toe tijdens echte gesprekken!
Deze grammatica-oefeningen maken deel uit van onze conversatiecursussen. Vind een leraar en oefen dit onderwerp tijdens echte gesprekken!
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen
Geschreven door
Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage