Leer aanwijswoorden als deze, die, dit en dat om dichtbij of veraf gelegen voorwerpen correct aan te wijzen, passend bij het lidwoord en getal van het zelfstandig naamwoord.
  1. Gebruik 'deze' en 'dit' voor zaken dichtbij, en 'die' en 'dat' voor zaken verder weg.
  2. Het aanwijzend voornaamwoord komt overeen met het geslacht en artikel van het woord.
 de-woordhet-woord
Dichtbijdezedit
Verafdiedat

Uitzonderingen!

  1. Verkleinwoorden hebben altijd het artikel 'het' en gebruiken dus altijd 'dit' of 'dat'.
  2. Meervouden hebben altijd het artikel 'de' en gebruiken dus altijd 'deze' of 'die'.

Oefening 1: Aanwijzende voornaamwoorden (deze, die, dit, dat)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

Die, Deze, Dat

1.
... oude boom groeit krom door de wind.
(Die oude boom groeit krom door de wind.)
2.
... schilderij heeft een rechte lijn in het midden.
(Dat schilderij heeft een rechte lijn in het midden.)
3.
... huis is hoog.
(Dat huis is hoog.)
4.
... tafels zijn breed.
(Deze tafels zijn breed.)
5.
... straat is erg smal, alleen fietsen kunnen erdoor.
(Deze straat is erg smal, alleen fietsen kunnen erdoor.)
6.
... doos is erg zwaar.
(Die doos is erg zwaar.)
7.
... vlag heeft de vorm van een driehoek.
(Deze vlag heeft de vorm van een driehoek.)
8.
... tafel heeft de vorm van een rechthoek.
(Die tafel heeft de vorm van een rechthoek.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. ___ cirkel is rood en die cirkel is blauw.


2. ___ vierkant ligt dichtbij, maar dat vierkant ligt verder weg.


3. Ik houd van ___ driehoek hier op tafel.


4. ___ cirkels aan de overkant van de kamer zijn groter.


5. ___ driehoekje is klein, het is een verkleinwoord.


6. ___ vormen hier zijn rond en die vormen daar zijn vierkant.


Aanwijzende voornaamwoorden: deze, die, dit, dat

Deze les gaat over aanwijzende voornaamwoorden in het Nederlands, namelijk deze, die, dit en dat. Aanwijzende voornaamwoorden gebruik je om te verwijzen naar specifieke zelfstandige naamwoorden (dingen of personen). Ze geven aan of iets dichtbij of veraf is, en sluiten aan bij het lidwoord en het geslacht van het zelfstandig naamwoord.

Overzicht van aanwijzende voornaamwoorden

 de-woordhet-woord
Dichtbijdezedit
Verafdiedat

Belangrijke regels

  • Deze en dit gebruik je voor dingen dichtbij de spreker.
  • Die en dat gebruik je voor dingen die verder weg zijn.
  • De vorm van het aanwijzend voornaamwoord hangt af van het lidwoord van het zelfstandig naamwoord: de-woorden gaan samen met deze of die, en het-woorden met dit of dat.
  • Verkleinwoorden hebben altijd het lidwoord het, dus zij krijgen dit of dat.
  • Meervouden gebruiken altijd het lidwoord de, dus daarbij horen altijd deze of die.

Voorbeelden

  • Deze cirkel is rood en die cirkel is blauw.
  • Dit vierkant ligt dichtbij, maar dat vierkant ligt verder weg.
  • Ik houd van deze driehoek hier op tafel.
  • Die cirkels aan de overkant van de kamer zijn groter.
  • Dit driehoekje is klein, het is een verkleinwoord.
  • Deze vormen hier zijn rond en die vormen daar zijn vierkant.

Praktische tips

Probeer altijd eerst te bepalen of het zelfstandig naamwoord een de-woord of het-woord is. Kijk dan of het dichtbij of veraf is. Gebruik vervolgens het juiste aanwijzend voornaamwoord.

Let ook op meervoudsvormen en verkleinwoorden. Bijvoorbeeld: de bomen (meervoud) – deze bomen; het huisje (verkleinwoord) – dit huisje.

Verschillen met het instructietaalgebruik

Aangezien Nederlands de instructietaal én de leertaal is, zijn er geen vertalingen toegevoegd. Dit helpt je om vertrouwd te raken met de woorden en hun gebruik in het Nederlands zonder vertalingen.

In vergelijking met andere talen bestaat het onderscheid tussen dichtbij en veraf in aanwijzende voornaamwoorden duidelijk in het Nederlands, wat in het dagelijks gebruik erg belangrijk is om duidelijkheid te scheppen.

Handige woorden en uitdrukkingen die goed aansluiten bij deze les zijn:

  • deze: voor personen of dingen dichtbij en bij de-woorden
  • dit: voor dingen dichtbij en bij het-woorden
  • die: voor personen of dingen verder weg en bij de-woorden
  • dat: voor dingen verder weg en bij het-woorden

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage