Aanwijzende voornaamwoorden: deze, die, dit, dat
Deze les gaat over aanwijzende voornaamwoorden in het Nederlands, namelijk deze, die, dit en dat. Aanwijzende voornaamwoorden gebruik je om te verwijzen naar specifieke zelfstandige naamwoorden (dingen of personen). Ze geven aan of iets dichtbij of veraf is, en sluiten aan bij het lidwoord en het geslacht van het zelfstandig naamwoord.
Overzicht van aanwijzende voornaamwoorden
| de-woord | het-woord |
---|
Dichtbij | deze | dit |
---|
Veraf | die | dat |
---|
Belangrijke regels
- Deze en dit gebruik je voor dingen dichtbij de spreker.
- Die en dat gebruik je voor dingen die verder weg zijn.
- De vorm van het aanwijzend voornaamwoord hangt af van het lidwoord van het zelfstandig naamwoord: de-woorden gaan samen met deze of die, en het-woorden met dit of dat.
- Verkleinwoorden hebben altijd het lidwoord het, dus zij krijgen dit of dat.
- Meervouden gebruiken altijd het lidwoord de, dus daarbij horen altijd deze of die.
Voorbeelden
- Deze cirkel is rood en die cirkel is blauw.
- Dit vierkant ligt dichtbij, maar dat vierkant ligt verder weg.
- Ik houd van deze driehoek hier op tafel.
- Die cirkels aan de overkant van de kamer zijn groter.
- Dit driehoekje is klein, het is een verkleinwoord.
- Deze vormen hier zijn rond en die vormen daar zijn vierkant.
Praktische tips
Probeer altijd eerst te bepalen of het zelfstandig naamwoord een de-woord of het-woord is. Kijk dan of het dichtbij of veraf is. Gebruik vervolgens het juiste aanwijzend voornaamwoord.
Let ook op meervoudsvormen en verkleinwoorden. Bijvoorbeeld: de bomen (meervoud) – deze bomen; het huisje (verkleinwoord) – dit huisje.
Verschillen met het instructietaalgebruik
Aangezien Nederlands de instructietaal én de leertaal is, zijn er geen vertalingen toegevoegd. Dit helpt je om vertrouwd te raken met de woorden en hun gebruik in het Nederlands zonder vertalingen.
In vergelijking met andere talen bestaat het onderscheid tussen dichtbij en veraf in aanwijzende voornaamwoorden duidelijk in het Nederlands, wat in het dagelijks gebruik erg belangrijk is om duidelijkheid te scheppen.
Handige woorden en uitdrukkingen die goed aansluiten bij deze les zijn:
- deze: voor personen of dingen dichtbij en bij de-woorden
- dit: voor dingen dichtbij en bij het-woorden
- die: voor personen of dingen verder weg en bij de-woorden
- dat: voor dingen verder weg en bij het-woorden