Betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wat, wie
In deze les leer je hoe je betrekkelijke voornaamwoorden in het Nederlands gebruikt om zinnen beter te verbinden. Betrekkelijke voornaamwoorden verbinden een bijzin met een eerder genoemd woord of zinsdeel. Ze geven extra informatie over personen, dieren of dingen.
Wat zijn betrekkelijke voornaamwoorden?
Betrekkelijke voornaamwoorden zoals die, dat, wat en wie helpen je om twee zinnen samen te voegen zonder woorden te herhalen. Door deze woorden te gebruiken, wordt je taal vloeiender en natuurlijker.
Die en dat: afhankelijk van het woord / onderwerp
Gebruik die voor de-woorden (woorden met het lidwoord 'de') en dat voor het-woorden (woorden met het lidwoord 'het') in het enkelvoud.
- Voorbeeld de-woord enkelvoud: De persoon die je daar ziet, is vegetarisch.
- Voorbeeld het-woord enkelvoud: Het dieet dat ik volg, is evenwichtig.
In het meervoud gebruik je voor zowel de-woorden als het-woorden die.
- Meervoud de-woorden: De snacks die ik kocht, zijn gezond.
- Meervoud het-woorden: De ingrediënten die je toevoegt, zijn vers.
Wat en wie: zelfstandig gebruikte betrekkelijke voornaamwoorden
Wie en wat worden vaak gebruikt zonder een voorafgaand woord. Bijvoorbeeld:
- Wie veel sport, is gezond.
- Alles wat je nodig hebt, is hier.
Wie gebruik je vooral bij personen, en wat na onbepaalde woorden zoals alles of iets.
Hoe kies je het juiste betrekkelijk voornaamwoord?
- Kijk of het woord het lidwoord 'de' of 'het' heeft.
- Bepaal of het enkelvoud of meervoud is.
- Gebruik die voor de-woorden in enkelvoud en meervoud.
- Gebruik dat voor het-woorden in enkelvoud.
- Gebruik wie en wat vooral zelfstandig na onbepaalde woorden of bij personen.
Praktische voorbeelden
- De persoon die ik gisteren sprak, werkt in de zorg.
- Het dieet dat ik volg, helpt me gezond te blijven.
- De ingrediënten die je toevoegt, zijn vers en gezond.
- Wie regelmatig sport, voelt zich fitter.
Verschillen tussen Nederlands en het instructietaal (Nederlands)
Omdat de instructietaal en de leertaal beide Nederlands zijn, focussen we ons hier op het verduidelijken van taalregels zonder vertalingen. Dit voorkomt verwarring en versterkt het begrip van de taalstructuren zelf. In andere talen kunnen betrekkelijke voornaamwoorden anders werken, maar in het Nederlands zijn ze nauw verbonden met het geslacht (de-woord of het-woord) en het getal (enkelvoud of meervoud) van het antecedent. Dit is belangrijk om te onthouden bij het correct toepassen van \"die\" en \"dat\".
Enkele nuttige woorden en uitdrukkingen uit deze les zijn:
- de persoon - die
- het dieet - dat
- de ingrediënten - die (meervoud)
- wie - voor personen, zelfstandig gebruikt
- wat - na onbepaalde woorden zoals alles, iets