Betrekkelijke voornaamwoorden (die, dat, wat, wie)

Betrekkelijke voornaamwoorden (die, dat, wat, wie)


Verbindt twee zinnen met die, dat, wat, wie.

Wanneer gebruik je een betrekkelijk voornaamwoord?

Je gebruikt die / dat / wat / wie om extra informatie te geven over een woord dat je net noemde.

  • Het woord waar je naar verwijst heet het antecedent (bijv. de collega, het dieet).
  • De bijzin begint met het betrekkelijk voornaamwoord: de collega die…, het dieet dat…
  • Let op: in de bijzin staat het werkwoord vaak achteraan.
    De snacks die ik gisteren kocht, zijn suikervrij.

Snelle keuzehulp: die, dat, wat of wie?

Stap Vraag Dan kies je… Voorbeeld
1 Staat er een de-woord? die De collega die naast me zit, werkt hybride.
2 Staat er een het-woord (enkelvoud)? dat Het advies dat ik kreeg, was duidelijk.
3 Is het meervoud? die (altijd) De rapporten die ik lees, zijn vertrouwelijk.
4 Verwijs je naar iets zonder zelfstandig naamwoord (alles/iets/niets/dit/dat)? wat Alles wat je vandaag bespreekt, noteer ik.
5 Bedoel je ‘degene die’ (zonder antecedent)? wie Wie wil afvallen, beweegt regelmatig.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze snel voorkomt)

  • Fout 1: dat bij een de-woord

    De frisdrank dat je elke middag drinkt…De frisdrank die je elke middag drinkt…

  • Fout 2: dat in het meervoud

    De snacks dat ik kocht…De snacks die ik kocht…

  • Fout 3: wie met een antecedent

    De collega wie veel water drinkt…De collega die veel water drinkt…

    Gebruik wie vooral zonder voorafgaand zelfstandig naamwoord: Wie veel water drinkt, blijft fitter.

Wat vs. dat: wanneer kies je ‘wat’?

Kies wat als je verwijst naar iets algemeens of onbepaald, vaak na:

  • alles: Alles wat ik in de kantine zie, is vet.
  • iets: Er is iets wat ik wil veranderen.
  • niets: Er is niets wat mij tegenhoudt.
  • dat / dit (als je naar de hele zin verwijst): Dat is precies wat ik bedoel.

Tip: Als er een duidelijk het-woord staat (het dieet, het recept), dan is dat meestal de juiste keuze.

Zelfcheck in 10 seconden

  1. Welk woord krijgt extra info? (antecedent)

  2. Is het een de-woord, het-woord of meervoud?

  3. Geen antecedent, maar ‘degene die’? → wie

  4. Onbepaald (alles/iets/niets/dit/dat)? → wat

Mini-voorbeelden (goed om hardop te oefenen)

  • De lunchbox die ik meeneem, is van glas.

  • Het recept dat ik kreeg, is makkelijk.

  • De ingrediënten die je toevoegt, bepalen de smaak.

  • Wat ik gisteren hoorde, klopt niet.

  • Wie structureel beweegt, voelt zich vaak energieker.

  1. Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt een zin of bijzin met een voorafgaand woord of zinsdeel.
  2. Je gebruikt ze om iets te zeggen over personen, dieren of zaken.
  3. Gebruik het juiste betrekkelijk voornaamwoord door te kijken of het om een de-woord of een het-woordgaat, en of het enkelvoud of meervoud is.
 de-woordhet-woord
Enkelvoud

die

De persoon die je daar ziet, is vegetarisch.

dat

Het dieet dat ik volg, is evenwichtig.

Meervoud

die

De snacks die ik kocht, zijn gezond.

die

De ingrediënten die je toevoegt, zijn verkeerd.

Uitzonderingen!

  1. Wie en wat zijn betrekkelijke voornaamwoorden die zelfstandig gebruikt worden. Bijvoorbeeld: Wie veel sport, is gezond.
  2. Gebruik wat na onbepaalde woorden zoals alles of iets.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Het dieet ____ ik je aanraad, is evenwichtig en past bij je werkritme.


2. De frisdrank ____ je elke middag drinkt, bevat veel suiker.


3. ____ veel sport, wil vaak ook gezonder eten.


4. Alles ____ je deze week eet, schrijf je even op in je agenda.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Verbind telkens twee zinnen tot één zin met het juiste betrekkelijk voornaamwoord (die, dat, wie, wat).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon/verberg hints
  1. Ik werk met een collega. De collega spreekt goed Nederlands.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ik werk met een collega die goed Nederlands spreekt.
  2. Ik volg een dieet. Het dieet is niet zo streng.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ik volg een dieet dat niet zo streng is.
  3. De lunchboxen zijn van glas. Ik gebruik de lunchboxen op kantoor.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    De lunchboxen die ik op kantoor gebruik, zijn van glas.
  4. Het recept is heel simpel. Ik heb het recept van mijn diëtist gekregen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Het recept dat ik van mijn diëtist heb gekregen, is heel simpel.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 08/05/2026 00:11