Verbindt twee zinnen met die, dat, wat, wie.
- Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt een zin of bijzin met een voorafgaand woord of zinsdeel.
- Je gebruikt ze om iets te zeggen over personen, dieren of zaken.
- Gebruik het juiste betrekkelijk voornaamwoord door te kijken of het om een de-woord of een het-woordgaat, en of het enkelvoud of meervoud is.
| de-woord | het-woord | |
|---|---|---|
| Enkelvoud | die De persoon die je daar ziet, is vegetarisch. | dat Het dieet dat ik volg, is evenwichtig. |
| Meervoud | die De snacks die ik kocht, zijn gezond. | die De ingrediënten die je toevoegt, zijn verkeerd. |
Uitzonderingen!
- Wie en wat zijn betrekkelijke voornaamwoorden die zelfstandig gebruikt worden. Bijvoorbeeld: Wie veel sport, is gezond.
- Gebruik wat na onbepaalde woorden zoals alles of iets.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. De vegetarische cliënt ___ ik morgen zie, wil een dieet zonder frisdrank.
2. Het tussendoortje ___ ik nu eet, is een typisch Nederlands volkorenkoekje.
3. Alles ___ ik vandaag eet, staat in het schema van mijn nieuwe dieet.
4. ___ regelmatig een sport beoefent, valt vaak af en voelt zich energieker.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste zin met het correcte betrekkelijk voornaamwoord om de zinnen correct te verbinden.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen. Maak van twee zinnen één zin met het juiste betrekkelijk voornaamwoord: die, dat, wat of wie.
-
Ik heb een dieet. Het dieet is heel streng.
-
Ik zoek een diëtist. De diëtist luistert goed naar mijn klachten.⇒ _______________________________________________ ExampleIk zoek een diëtist die goed naar mijn klachten luistert.
-
Ik eet nu minder snacks. De snacks waren altijd erg vet.⇒ _______________________________________________ ExampleIk eet nu minder snacks die altijd erg vet waren.
-
Ik vertel je alles. Alles is belangrijk voor je advies.⇒ _______________________________________________ ExampleIk vertel je alles wat belangrijk is voor je advies.
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Vertel kort over je eetgewoontes en geef elkaar praktisch advies.
- Welk tussendoortje eet je vaak, en waarom vind je het (on)gezond?
- Noem iemand die gezond leeft en beschrijf wat die persoon precies doet of vermijdt.
- Een tussendoortje dat ik vaak neem is fruit.
- Het ingrediënt dat ik vermijd, is veel suiker.
- Alles wat ik eet probeer ik zo gezond mogelijk te kiezen.
- die + de-woord (enkelvoud/meervoud)
- dat + het-woord (enkelvoud)
- wat/wie na onbepaalde woorden (alles, iets, iemand)