Een meewerkend voorwerp geeft aan voor of aan wie iets gebeurt, zoals in 'aan Lies', 'voor Karel'.
- Een voorzetsel zoals 'aan' of 'voor'maakt het meewerkend voorwerp herkenbaar.
- Met voorzetsel staat het meewerkend voorwerp meestal na het lijdend voorwerp.
- Een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel komt direct na de persoonsvorm.
| Plaats (Plaats) | Voorbeeld (Voorbeeld) | |
|---|---|---|
| Zonder voorzetsel (Zonder voorzetsel) | Na de persoonsvorm (Na de persoonsvorm) | De receptionist geeft de gast de sleutel aan de balie. (De receptionist geeft de gast de sleutel aan de balie.) |
| Met voorzetsel (Met voorzetsel) | Aan het einde van de zin (Aan het einde van de zin) | De receptionist geeft de sleutel aan de gast. (De receptionist geeft de sleutel aan de gast.) |
Uitzonderingen!
- Een meewerkend voorwerp is vaak een persoon of instantie.
- Gebruik de persoonlijke voornaamwoorden: voorwerpsvorm mij/me, jou/je, u, hem, haar, het, ons, jullie, hun als meewerkend voorwerp.
Oefening 1: The object pronoun
Instructie: Vul het juiste woord in.
de baliemedewerker, de gast, ons, de receptie, mijn moeder
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies in elke groep de zin met het correcte gebruik van het meewerkend voorwerp volgens de regels: met of zonder voorzetsel, en de juiste plaatsing ervan.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen: zet een meewerkend voorwerp met voorzetsel (aan/voor) om in een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel of andersom. Let op de plaats in de zin en gebruik zo nodig een voornaamwoord (mij/me, je/jou, hem, haar, ons, jullie, hun).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe docent stuurt de cursisten de informatie.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe chef vertelt de nieuwe medewerker het plan.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij sturen elke maand een nieuwsbrief aan onze klanten.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleKun jij het probleem aan de manager uitleggen?