Het voltooid deelwoord met hebben/zijn
Haal je boekHet voltooid deelwoord wordt gevormd met 'hebben' of 'zijn' en een werkwoord, zoals 'gewerkt', 'gelopen'.
- Formule: Persoon + hebben/zijn + voltooid deelwoord
- Gebruik van 'hebben' en 'zijn': 'Zijn'bij beweging/verandering, 'hebben' voor andere werkwoorden.
| Vorming voltooid deelwoord | Type werkwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Ge + stam + d | Algemene regel | Ik ben verhuisd Wij hebben gewoond |
| Ge + stam + t | Werkwoorden met een stam die eindigt op -t, -k, -f, -s, -c, -h, -p | Jij hebt gekookt Zij heeft gewacht |
| Stam + t/d | Werkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her- mis-, ont-, ver- | Ik heb gebruikt Het is veranderd |
Uitzonderingen!
- Sommige werkwoorden hebben een onregelmatig voltooid deelwoord, zoals 'geweest'.
- Als de stam van het werkwoord eindigt op een van de medeklinkers in het woord softketchup (s, f, t, k, ch, p), dan krijgt het voltooid deelwoord een -t; anders krijgt het een -d.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Gisteren ___ ik naar de apotheek geweest, omdat ik verkouden was. Gisteren ben ik naar de apotheek geweest, omdat ik verkouden was.
2. Wij ___ vanochtend op het werk bij de bakkerij gewacht. Wij hebben vanochtend op het werk bij de bakkerij gewacht.
3. Ik ben te laat, want ik ___ eerst naar het postkantoor gelopen en daarna naar de universiteit gegaan. Ik ben te laat, want ik ben eerst naar het postkantoor gelopen en daarna naar de universiteit gegaan.
4. We ___ al drie uur in het ziekenhuis gewacht op de dokter. We hebben al drie uur in het ziekenhuis gewacht op de dokter.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen in de voltooid tegenwoordige tijd (persoon + hebben/zijn + voltooid deelwoord).
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
-
Ik kook elke dag pasta.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk heb gisteren pasta gekookt.
-
Wij wonen nu drie jaar in Nederland.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWij hebben drie jaar in Nederland gewoond.
-
Hij verandert zijn baan.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldHij heeft zijn baan veranderd.
-
Mijn collega gebruikt de nieuwe printer.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldMijn collega heeft de nieuwe printer gebruikt.
-
Jullie reizen met de trein naar Amsterdam.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldJullie zijn met de trein naar Amsterdam gereisd.
-
De kinderen lopen naar school.⇒ ____________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDe kinderen zijn naar school gelopen.