Het voltooid deelwoord wordt gevormd met 'hebben' of 'zijn' en een werkwoord, zoals 'gewerkt', 'gelopen'.

  1. Formule: Persoon + hebben/zijn + voltooid deelwoord
  2. Gebruik van 'hebben' en 'zijn': 'Zijn'bij beweging/verandering, 'hebben' voor andere werkwoorden.
Vorming voltooid deelwoord (Vorm van het voltooid deelwoord)Type werkwoord (Soort werkwoord)Voorbeeld (Voorbeeld)
Ge + stam + dAlgemene regel (Algemene regel)Ik ben verhuisd (Ik ben verhuisd)
Wij hebben gewoond (Wij hebben gewoond)
Ge + stam + tWerkwoorden met een stam die eindigt op -t, -k, -f, -s, -c, -h, -p (Werkwoorden met een stam die eindigt op -t, -k, -f, -s, -c, -h, -p)Jij hebt gekookt (Jij hebt gekookt)
Zij heeft gewacht (Zij heeft gewacht)
Stam + t/dWerkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her- mis-, ont-, ver- (Werkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her- mis-, ont-, ver-)Ik heb gebruikt (Ik heb gebruikt)
Het is veranderd (Het is veranderd)

Uitzonderingen!

  1. Sommige werkwoorden hebben een onregelmatig voltooid deelwoord, zoals 'geweest'.
  2. Als de stam van het werkwoord eindigt op een van de medeklinkers in het woord softketchup (s, f, t, k, ch, p), dan krijgt het voltooid deelwoord een -t; anders krijgt het een -d.

Oefening 1: Het voltooid deelwoord met hebben/zijn

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

zijn, geopend, heeft, gewerkt, is, hebt, gebouwd, hebben, gegaan, gewacht, gesport, gepland, gekookt

1. Sporten:
Jij ... gisteren in de sportschool ....
(Jij hebt gisteren in de sportschool gesport.)
2. Plannen:
Hij ... een afspraak in het ziekenhuis ....
(Hij heeft een afspraak in het ziekenhuis gepland.)
3. Werken:
Wij ... hard ... op school vandaag.
(Wij hebben hard gewerkt op school vandaag.)
4. Wachten:
Zij ... lang op de bus ....
(Zij hebben lang op de bus gewacht.)
5. Bouwen:
De school ... naast de bibliotheek ....
(De school is naast de bibliotheek gebouwd.)
6. Openen:
Het postkantoor ... om acht uur ....
(Het postkantoor is om acht uur geopend.)
7. Koken:
Hij ... gisteren een lekkere maaltijd ....
(Hij heeft gisteren een lekkere maaltijd gekookt.)
8. Gaan:
Wij ... naar het ziekenhuis ....
(Wij zijn naar het ziekenhuis gegaan.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Gisteren ___ ik naar de apotheek geweest, omdat ik verkouden was.


2. Wij ___ vanochtend op het werk bij de bakkerij gewacht.


3. Ik ben te laat, want ik ___ eerst naar het postkantoor gelopen en daarna naar de universiteit gegaan.


4. We ___ al drie uur in het ziekenhuis gewacht op de dokter.


Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de voltooid tegenwoordige tijd (persoon + hebben/zijn + voltooid deelwoord).

Toon/verberg hints
  1. Ik kook elke dag pasta.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik heb gisteren pasta gekookt.
  2. Wij wonen nu drie jaar in Nederland.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij hebben drie jaar in Nederland gewoond.
  3. Hij verandert zijn baan.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij heeft zijn baan veranderd.
  4. Mijn collega gebruikt de nieuwe printer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mijn collega heeft de nieuwe printer gebruikt.
  5. Jullie reizen met de trein naar Amsterdam.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie zijn met de trein naar Amsterdam gereisd.
  6. De kinderen lopen naar school.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De kinderen zijn naar school gelopen.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 08/01/2026 04:32