1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (14)

De apotheek

De apotheek Show

De apotheek Show

Het ziekenhuis

Het ziekenhuis Show

Het ziekenhuis Show

De bibliotheek Show

De bibliotheek Show

De bakker

De bakker Show

De bakker Show

Het kantoor

Het kantoor Show

Het kantoor Show

Het postkantoor

Het postkantoor Show

Het postkantoor Show

De school

De school Show

De school Show

De universiteit

De universiteit Show

De universiteit Show

De sportschool

De sportschool Show

De sportschool Show

De spoed

De spoed Show

De spoed Show

Klaar

Klaar Show

Klaar Show

Wachten

Wachten Show

Wachten Show

Gebruiken

Gebruiken Show

Gebruiken Show

Koken

Koken Show

Koken Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Gebruiken (gebruiken)

Belangrijk werkwoord

Wachten (wachten)

Belangrijk werkwoord

Koken (koken)

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

WhatsApp-bericht: Je krijgt een WhatsApp van een buurvrouw die nieuw is in Nederland en wil weten waar diensten zijn en wanneer ze open zijn; reageer en geef eenvoudige informatie en stel een vraag over openingstijden.


Hoi,

Ik ben Laura, je nieuwe buurvrouw op nummer 18. Ik ben net in deze straat verhuisd en ik ken de buurt nog niet zo goed.

Weet jij misschien waar de apotheek en het ziekenhuis zijn op de kaart? En is er hier ook een bibliotheek of een sportschool in de buurt?

Ik wil ook graag weten: wanneer zijn de apotheek en de bakker meestal open? Tot hoe laat in de avond?

Alvast bedankt!
Groeten, Laura


Hoi,

Ik ben Laura, je nieuwe buurvrouw op nummer 18. Ik ben net in deze straat verhuisd en ik ken de buurt nog niet zo goed.

Weet jij misschien waar de apotheek en het ziekenhuis op de kaart staan? En is er hier ook een bibliotheek of een sportschool in de buurt?

Ik wil ook graag weten: wanneer zijn de apotheek en de bakker meestal open? Tot hoe laat 's avonds?

Alvast bedankt!
Groeten, Laura


Begrijp de tekst:

  1. Wat wil Laura weten over de apotheek en de bakker?

  2. Welke diensten zoekt Laura nog meer in de buurt, behalve de apotheek en het ziekenhuis?

Nuttige zinnen:

  1. Hallo Laura,

  2. De apotheek is...

  3. Weet jij misschien hoe laat ... open is?

Hallo Laura,

Welkom in de straat!

De apotheek is naast het postkantoor, aan het plein. Het ziekenhuis is aan de andere kant van de stad, naast de universiteit. De bibliotheek is dicht bij de school. Er is ook een sportschool achter het kantoor van de bank.

De bakker is open van 8.00 tot 18.00 uur. De apotheek is meestal open tot 17.30 uur.

Weet jij of de apotheek ook op zaterdag open is?

Groeten,
[Je naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Waar is de apotheek op deze plattegrond?
Tot hoe laat is de bibliotheek vandaag open?
Ik heb lang in het ziekenhuis gewacht.
We hebben het navigatiesysteem voor de route naar de sportschool gebruikt.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Gisteren ___ ik de app van de bibliotheek ___ om de openingstijden te zoeken.


2. Wij ___ al een half uur ___ bij de apotheek voordat hij open ging.


3. Toen ik thuiskwam, ___ mijn partner al ___ voor de kinderen.


4. Vorige week ___ we de route naar het ziekenhuis ___ om mijn ouders de weg uit te leggen.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent nieuw op je werk. Een collega vraagt waar de sportschool is. Leg kort uit waar de sportschool ligt op de plattegrond van de buurt. (Gebruik: De sportschool, links, rechts)

De sportschool is  

Voorbeeld:

De sportschool is links van het kantoor, naast de bakker.

2. Je belt naar het ziekenhuis. Je wilt weten tot hoe laat de spoed open is in de avond. Stel een simpele vraag over de openingstijden. (Gebruik: De spoed, vandaag, tot hoe laat)

Hallo, tot hoe  

Voorbeeld:

Hallo, tot hoe laat is de spoed vandaag open?

3. Je loopt in de stad met een vriend. Jullie zoeken de apotheek op de plattegrond. Leg kort uit waar de apotheek is. (Gebruik: De apotheek, tegenover, naast)

De apotheek is  

Voorbeeld:

De apotheek is tegenover het ziekenhuis, naast het postkantoor.

4. Je staat bij het postkantoor. Je wilt weten wanneer het postkantoor morgen open is, omdat je na het werk een pakket wilt sturen. Vraag naar de openingstijd in de ochtend. (Gebruik: Het postkantoor, morgen, open)

Kunt u mij  

Voorbeeld:

Kunt u mij zeggen hoe laat het postkantoor morgen open is?

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over diensten in jouw buurt en vertel waar ze liggen en wanneer ze open zijn.

Nuttige uitdrukkingen:

In mijn buurt is er een … / Het ligt naast / tegenover / achter … / Het is open van … tot … / Op zaterdag / zondag is het (niet) open.

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Wat heeft Eva vandaag gedaan? Waar is ze langsgekomen? (Wat heeft Eva vandaag gedaan? Waar is ze langsgekomen?)
  2. Waar ben je vandaag geweest? (Waar ben je vandaag geweest?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Eva is vanmorgen naar de sportschool gegaan.

Daarna is ze langs de bakker gegaan om wat eten te kopen.

Ze is langs de bank gelopen in de avond.

Ik ben vandaag naar het ziekenhuis gegaan omdat ik daar als arts werk.

Ik ben vanmorgen naar de school geweest vanwege mijn kinderen.

Ik ben vandaag naar de universiteit en de bibliotheek geweest.

...