A1.38.2 - Il participio passato con avere/essere
Het voltooid deelwoord met hebben/zijn
Het voltooid deelwoord wordt gevormd met 'hebben' of 'zijn' en een werkwoord, zoals 'gewerkt', 'gelopen'.
(Il participio passato si forma con 'hebben' o 'zijn' e un verbo, come 'gewerkt', 'gelopen'.)
- Formule: Persoon + hebben/zijn + voltooid deelwoord
- Uso di 'hebben' e 'zijn': 'Zijn' si usa per movimento/cambiamento, 'hebben' per altri verbi.
| Vorming voltooid deelwoord (Formazione del participio passato) | Type werkwoord (Tipo di verbo) | Voorbeeld (Esempio) |
|---|---|---|
| Ge + stam + d | Algemene regel (Regola generale) | Ik ben verhuisd (Mi sono trasferito) Wij hebben gewoond (Abbiamo abitato) |
| Ge + stam + t | Werkwoorden met een stam die eindigt op -t, -k, -f, -s, -c, -h, -p (Verbi con radice che termina in -t, -k, -f, -s, -c, -h, -p) | Jij hebt gekookt (Hai cucinato) Zij heeft gewacht (Lei ha aspettato) |
| Stam + t/d | Werkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her- mis-, ont-, ver- (Verbi che iniziano con be-, er-, ge-, her- mis-, ont-, ver-) | Ik heb gebruikt (Ho usato) Het is veranderd (È cambiato) |
Eccezioni!
- Alcuni verbi hanno un participio passato irregolare, come 'geweest'.
- Se la radice del verbo termina con una delle consonanti nella parola softketchup (s, f, t, k, ch, p), allora il participio passato prende una -t; altrimenti prende una -d.
Esercizio 1: Il participio passato con avere/essere
Istruzione: Inserisci la parola corretta.
zijn, geopend, heeft, gewerkt, is, hebt, gebouwd, hebben, gegaan, gewacht, gesport, gepland, gekookt
Esercizio 2: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la risposta corretta
1. Gisteren ___ ik naar de apotheek geweest, omdat ik verkouden was.
Ieri ___ sono andato in farmacia perché avevo il raffreddore.)2. Wij ___ vanochtend op het werk bij de bakkerij gewacht.
Questa mattina ___ al lavoro, in panetteria.)3. Ik ben te laat, want ik ___ eerst naar het postkantoor gelopen en daarna naar de universiteit gegaan.
Sono in ritardo perché prima ___ andato all'ufficio postale e poi sono andato all'università.)4. We ___ al drie uur in het ziekenhuis gewacht op de dokter.
___ aspettiamo già da tre ore il dottore in ospedale.)Esercizio 3: Riscrivi le frasi
Istruzione: Riscrivi le frasi al passato prossimo (persona + avere/essere + participio passato).
-
Ik kook elke dag pasta.⇒ _______________________________________________ ExampleIk heb gisteren pasta gekookt.(Ik heb gisteren pasta gekookt.)
-
Wij wonen nu drie jaar in Nederland.⇒ _______________________________________________ ExampleWij hebben drie jaar in Nederland gewoond.(Wij hebben drie jaar in Nederland gewoond.)
-
Hij verandert zijn baan.⇒ _______________________________________________ ExampleHij heeft zijn baan veranderd.(Hij heeft zijn baan veranderd.)
-
Mijn collega gebruikt de nieuwe printer.⇒ _______________________________________________ ExampleMijn collega heeft de nieuwe printer gebruikt.(Mijn collega heeft de nieuwe printer gebruikt.)
-
Jullie reizen met de trein naar Amsterdam.⇒ _______________________________________________ ExampleJullie zijn met de trein naar Amsterdam gereisd.(Jullie zijn met de trein naar Amsterdam gereisd.)
-
De kinderen lopen naar school.⇒ _______________________________________________ ExampleDe kinderen zijn naar school gelopen.(De kinderen zijn naar school gelopen.)
Applica questa grammatica durante le conversazioni reali!
Questi esercizi di grammatica fanno parte dei nostri corsi di conversazione. Trova un insegnante e pratica questo argomento durante conversazioni reali!
- Implementa CEFR, esame DELE e linee guida Cervantes
- Supportato dall'università di Siegen
Scritto da
Questo contenuto è stato progettato e revisionato dal team pedagogico di coLanguage. Chi siamo