Het voltooid deelwoord wordt gevormd met 'hebben' of 'zijn' en een werkwoord, zoals 'gewerkt', 'gelopen'.

(Il participio passato si forma con 'hebben' o 'zijn' e un verbo, come 'gewerkt', 'gelopen'.)

1. Quando usare il voltooid deelwoord (participio passato)

  • Con il perfectum (voltooid tegenwoordige tijd):
    Persoon + hebben/zijn + voltooid deelwoord
  • Indica un’azione finita con effetto nel presente.
    Esempi:
    • Ik heb gewerkt. – Ho lavorato.
    • Ik ben verhuisd. – Mi sono trasferito/a.
  • Pensa al passato prossimo italiano:
    ho lavorato, sono andato → stesso uso, forma diversa.

2. Struttura di base: ordine delle parole

  • Frase semplice:
    • Ik heb gisteren lang gewerkt.
    • Wij zijn naar huis gelopen.
  • Con più elementi, il voltooid deelwoord va quasi sempre alla fine della frase:
    • Ik heb in het nieuwe kantoor gewerkt.
    • Hij is naar Amsterdam verhuisd.

3. Come scegliere tra hebben e zijn

  • Regola pratica (simile all’italiano avere/essere):
    • hebben con la maggior parte dei verbi (azioni normali).
    • zijn con:
      • verbi di movimento (andare, venire, partire, arrivare…)
      • verbi di cambiamento di stato (nascere, morire, diventare, cambiare, trasferirsi…)
Tipo Olanda Italiano (per capire)
Verbi con hebben werken → ik heb gewerkt
vragen → ik heb gevraagd
bellen → ik heb gebeld
ho lavorato, ho chiesto, ho telefonato
Verbi con zijn gaan → ik ben gegaan
komen → ik ben gekomen
verhuizen → ik ben verhuisd
worden → ik ben geworden
sono andato, sono venuto, mi sono trasferito, sono diventato
  • Alcuni verbi possono usare hebben o zijn a seconda del significato, ma a livello A1 concentrati sui casi chiari sopra.

4. Formare il participio: panoramica veloce

  • Per i verbi regolari il participio si chiama voltooid deelwoord.
  • La base è la stam (radice) del verbo.
    • werken → stam: werk
    • vragen → stam: vraag
Tipo di verbo Regola Esempio
Regola generale ge + stam + d wonen → ge + woon + d → gewoond
verhuizen → ge + verhuis + d → verhuisd
Stam finisce con s, f, t, k, ch, p ge + stam + t
(regola softketchup)
werken → werk → gewerkt
koken → kook → gekookt
wachten → wacht → gewacht
Verbi con prefisso be-, ge-, her-, er-, ver-, ont-, mis- niente ge-
solo stam + d/t
gebruiken → gebruik → gebruikt
veranderen → verander → veranderd
ontvangen → ontvang → ontvangen (irregolare)

5. La regola softketchup spiegata bene

La domanda tipica: devo scrivere -d o -t?

  1. Prendi la stam (radice) del verbo.
  2. Guarda l’ultima lettera della stam.
  3. Se è una delle consonanti di softketchup (s, f, t, k, ch, p) → aggiungi -t.
    Altrimenti → aggiungi -d.
Verbo Stam Ultima lettera Regola Participio
werken werk k → in softketchup -t gewerkt
reizen reis s → in softketchup -t gereisd (attenzione: ortografia → d, ma pronuncia /t/)
maken maak k → in softketchup -t gemaakt
lenen leen n → non in softketchup -d geleend
  • Per ora, a livello A1, usa la regola in modo visivo:
    • Se vedi una lettera di softketchup alla fine della stam → scrivi -t.
    • In tutti gli altri casi → -d.

6. Verbi con prefissi (be-, ver-, ont-, ecc.)

  • Questi verbi non prendono ge- all’inizio.
  • Si aggiunge solo -d o -t alla stam.
Verbo all’infinito Stam Participio Frase
gebruiken (usare) gebruik gebruikt Ik heb de printer gebruikt.
veranderen (cambiare) verander veranderd Hij is van baan veranderd.
vertrekken (partire) vertrek vertrokken (irreg.) De trein is vertrokken.
  • Per riconoscerli: se il verbo inizia con be-, er-, ge-, her-, mis-, ont-, ver-, in genere non aggiungi il ge-.

7. Verbi irregolari: cosa devi sapere adesso

  • Molti verbi frequentissimi hanno un participio irregolare.
  • Esempi molto usati:
    • zijngeweest
    • hebbengehad
    • gaangegaan
    • komengekomen
    • ziengezien
  • Per il livello A1 è sufficiente memorizzare i più usati con le frasi complete:
    • Ik ben in Nederland geweest.
    • Ik heb een idee gehad.
    • Hij is naar huis gegaan.

8. Mini percorso passo per passo (autoverifica)

Usa questa lista ogni volta che devi formare una frase al perfectum.

  1. Trova il soggetto
    • Chi fa l’azione? ik, jij, hij, wij…
  2. Scegli hebben o zijn
    • Movimento/cambiamento → spesso zijn.
    • Altro → hebben.
  3. Coniuga hebben/zijn con il soggetto
    • ik heb / ik ben
    • jij hebt / jij bent
    • hij/zij heeft / hij/zij is
    • wij/jullie/zij hebben / zijn
  4. Forma il participio
    • Verbo regolare senza prefisso → ge + stam + d/t.
    • Con prefisso be-, ver-, ont-, ecc. → stam + d/t.
    • Softketchup per decidere tra d/t.
  5. Metti il participio verso la fine della frase
    • Ik heb gisteren in het kantoor gewerkt.
    • Hij is vorig jaar naar Amsterdam verhuisd.

9. Controllo rapido: capisco davvero?

  • Puoi spiegare a te stesso, in italiano, la differenza tra hebben e zijn nel perfectum?
  • Riesci a formare il participio di:
    • maken → …
    • wonen → …
    • werken → …
    • verhuizen → …
  • Sai dove mettere il voltooid deelwoord nella frase (quasi sempre in fondo)?
  • Se riesci a farlo senza guardare la spiegazione, hai capito l’argomento e sei pronto per usare queste forme in conversazione.
  1. Formula: Persona + hebben/zijn + voltooid deelwoord
  2. Uso di 'hebben' en 'zijn': 'zijn' per movimento/cambiamento, 'hebben' per gli altri verbi.
Vorming voltooid deelwoord (Formazione del participio passato)Type werkwoord (Tipo di verbo)Voorbeeld (Esempio)
Ge + stam + dAlgemene regel (Regola generale)Ik ben verhuisd (Sono traslocato/a)
Wij hebben gewoond (Abbiamo abitato)
Ge + stam + tWerkwoorden met een stam die eindigt op -t, -k, -f, -s, -c, -h, -p (Verbi con radice che finisce in -t, -k, -f, -s, -c, -h, -p)Jij hebt gekookt (Tu hai cucinato)
Zij heeft gewacht (Lei ha aspettato)
Stam + t/dWerkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her- mis-, ont-, ver- (Verbi che iniziano con be-, er-, ge-, her- mis-, ont-, ver-)Ik heb gebruikt (Ho usato)
Het is veranderd (È cambiato)

Eccezioni!

  1. Alcuni verbi hanno un participio passato irregolare, come 'geweest'.
  2. Se la radice del verbo finisce con una delle consonanti della parola softketchup (s, f, t, k, ch, p), il participio passato prende -t; altrimenti prende -d.

Esercizio 1: Scelta multipla

Istruzione: Scegli la risposta corretta

1. Gisteren ___ ik naar de apotheek geweest, omdat ik verkouden was.

Ieri ___ sono andato in farmacia perché avevo il raffreddore.)

2. Wij ___ vanochtend op het werk bij de bakkerij gewacht.

Questa mattina ___ al lavoro, in panetteria.)

3. Ik ben te laat, want ik ___ eerst naar het postkantoor gelopen en daarna naar de universiteit gegaan.

Sono in ritardo perché prima ___ andato all'ufficio postale e poi sono andato all'università.)

4. We ___ al drie uur in het ziekenhuis gewacht op de dokter.

___ aspettiamo già da tre ore il dottore in ospedale.)

Esercizio 2: Riscrivi le frasi

Istruzione: Riscrivi le frasi al passato prossimo (persona + avere/essere + participio passato).

Mostra/Nascondi traduzione Mostra/Nascondi suggerimenti
  1. Ik kook elke dag pasta.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik heb gisteren pasta gekookt.
    (Ik heb gisteren pasta gekookt.)
  2. Wij wonen nu drie jaar in Nederland.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij hebben drie jaar in Nederland gewoond.
    (Wij hebben drie jaar in Nederland gewoond.)
  3. Hij verandert zijn baan.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij heeft zijn baan veranderd.
    (Hij heeft zijn baan veranderd.)
  4. Mijn collega gebruikt de nieuwe printer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mijn collega heeft de nieuwe printer gebruikt.
    (Mijn collega heeft de nieuwe printer gebruikt.)
  5. Jullie reizen met de trein naar Amsterdam.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie zijn met de trein naar Amsterdam gereisd.
    (Jullie zijn met de trein naar Amsterdam gereisd.)
  6. De kinderen lopen naar school.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De kinderen zijn naar school gelopen.
    (De kinderen zijn naar school gelopen.)

Esercizio 3: La grammatica in azione

Istruzione: Raccontate a turno brevemente cosa avete fatto ieri in città.

Mostra/Nascondi traduzione
Situazione
Je bespreekt met een buur welke diensten je gisteren in de stad hebt gebruikt.
(Parli con un vicino dei servizi che hai utilizzato ieri in città.)

Discutere
  • Waar ben je gisteren geweest? Noem minstens drie plaatsen. (Dove sei stato ieri? Nomina almeno tre luoghi.)
  • Wat heb je daar gedaan? Gebruik voltooid deelwoorden met hebben of zijn en geef korte details (bijvoorbeeld: ik ben naar de apotheek geweest; ik heb een recept opgehaald). Bij welke dienst heb je het langst gewacht en waarom? Wat heb je ondertussen gedaan of gebruikt? (bijvoorbeeld: ik heb mijn telefoon gebruikt, ik heb formulieren ingevuld). (Cosa hai fatto lì? Usa i participi passati con hebben o zijn e fornisci brevi dettagli (per esempio: ik ben naar de apotheek geweest; ik heb een recept opgehaald). In quale servizio hai aspettato di più e perché? Cosa hai fatto o usato nel frattempo? (per esempio: ik heb mijn telefoon gebruikt, ik heb formulieren ingevuld).)

Parole e frasi utili
  • Ik ben naar de apotheek / bakker / het postkantoor geweest. (Ik ben naar de apotheek / bakker / het postkantoor geweest.)
  • Ik heb in de bibliotheek een boek geleend en teruggebracht. (Ik heb in de bibliotheek een boek geleend en teruggebracht.)
  • Ik ben naar de sportschool geweest; ik ben daar een uur gebleven. (Ik ben naar de sportschool geweest; ik ben daar un'ora rimasto.)

Usare in conversazione
  • Persoon + hebben + voltooid deelwoord (Persoon + hebben + voltooid deelwoord)
  • Persoon + zijn + voltooid deelwoord (Persoon + zijn + voltooid deelwoord)

Scritto da

Questo contenuto è stato progettato e revisionato dal team pedagogico di coLanguage. Chi siamo

Profile Picture

Kato De Paepe

Business e lingue

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Ultimo aggiornamento:

Mercoledì, 18/02/2026 17:07