Hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan.

Wat leer je in dit hoofdstuk?

  • Je herkent en gebruikt hoofdtelwoorden van 0 t/m 100.
  • Je weet hoe je tientallen en eenheden samen schrijft (bijv. 23, 57).
  • Je let op een paar lastige vormen zoals vijftien, dertig, tachtig.

Lees de uitleg, kijk naar de voorbeelden en check jezelf met de vragen aan het eind.

Basis: 0 t/m 12 goed kennen

Deze getallen moet je gewoon snel herkennen en uit je hoofd kennen.

0nul
1één
2twee
3drie
4vier
5vijf
6zes
7zeven
8acht
9negen
10tien
11elf
12twaalf
  • Deze woorden gebruik je los: drie appels, elf studenten.
  • De vormen van 11 en 12 zijn onregelmatig: niet ééntien, maar elf; niet tweeltien, maar twaalf.

Tienergetallen: 13 t/m 19

Alle getallen van 13 t/m 19 eindigen op -tien.

13dertien
14veertien
15vijftien
16zestien
17zeventien
18achttien
19negentien

Let vooral op de spelling van deze vormen:

  • dertien (niet drie-tien)
  • veertien (niet vier-tien)
  • vijftien (niet vijf-tien)
  • zestien (niet zes-tien)
  • achttien met tt

Tip om te onthouden: hoor je “tien” aan het eind? Schrijf dan één woord met -tien.

Tientallen: 20, 30, 40, …, 90

De “hele tientallen” hebben vaak een kleine vormverandering:

20twintig
30dertig
40veertig
50vijftig
60zestig
70zeventig
80tachtig
90negentig
  • Let op: dertig, veertig, vijftig, tachtig zijn niet “letterlijk” van 3, 4, 5, 8 af te leiden.
  • Ze eindigen allemaal op -tig.

Voorbeelden in zinnen:

  • Er zijn dertig studenten in de groep.
  • De cursus kost zestig euro.

Samengestelde getallen: tientallen + eenheden

Hier gaat het vaak mis. De basisregel:

  • eerst de eenheid, dan de tiental, met -en- ertussen.
  • Je schrijft alles als één woord.

Structuur:

eenheid + en + tiental

bijvoorbeeld: vijf + en + twintig → vijfentwintig

GetalStructuurSchrijfwijze
21één + en + twintigeenentwintig
22twee + en + twintigtweeëntwintig
35vijf + en + dertigvijfendertig
48acht + en + veertigachtenveertig
57zeven + en + vijftigzevenenvijftig
69negen + en + zestignegenenzestig

Let op veelgemaakte fouten:

  • Geen streepjes: vijf-en-twintigvijfentwintig.
  • Geen spaties: vijf en twintigvijfentwintig.
  • Niet “tiental + eenheid”: twintigvijfvijfentwintig.

Spellingdetails: ë, dubbel t, extra -en-

Een paar vormen vragen extra aandacht.

  • Tweeëntwintig, drieëntwintig, etc.
    Na twee en drie komt er een trema:
    • tweeëntwintig (niet tweeentwintig)
    • drieënveertig (niet drieenveertig)
    Het trema geeft aan dat je de klinkers apart uitspreekt.
  • Achttien en achtentwintig
    Achttien heeft tt, omdat het een tienergetal is.
    Maar: achtentwintig (één t), achtenveertig (één t).
  • Eenentwintig
    Schrijf: eenentwintig, niet éénentwintig in lopende tekst.

Honderd, tweehonderd, …

Voor 100, 200, 300, … gebruik je:

  • honderd, tweehonderd, driehonderd, …
  • Zonder en ertussen: tweehonderd (niet twee en honderd).

Op A1-niveau gebruik je dit meestal voor prijzen en hoeveelheden:

  • De cursus kost honderd euro.
  • In het bedrijf werken tweehonderd mensen.

Cijfers of woorden: wanneer wat?

In het dagelijks Nederlands zie je beide:

  • Cijfers bij: leeftijden, telefoonnummers, huisnummers, tijden, prijzen.
    Ik ben 35 jaar. Mijn nummer is 06 23 15 90 7.
  • Woorden bij: korte teksten, formulieren, beschrijvingen.
    In mijn klas zitten vijftien studenten.

Belangrijk voor jou:

  • Je moet cijfers → woorden kunnen omzetten.
  • En woorden → cijfers.

Veelgemaakte fouten samengevat

  • Streepjes gebruiken in samengestelde getallen
    • vijf-en-twintigvijfentwintig
    • zes-en-vijftigzesenvijftig
  • Verkeerde volgorde
    • twintigvijfvijfentwintig
    • dertigzevenzevenendertig
  • Verkeerde tiener-vormen
    • vijftien goed, maar vaak geschreven als vijf-tien
    • achttien (met tt), niet achtien

Stapsgewijze aanpak: zo vorm je een getal

  1. Kijk naar het cijfer.
    Is het:
    • 0–12 → leer de basisvorm.
    • 13–19 → gebruik -tien.
    • 20–90 → kijk in je hoofd naar de -tig-vorm.
    • 100, 200, 300 → gebruik (getal)+honderd.
  2. Is het een gecombineerd getal (21, 57, 93)?
    • Schrijf eerst de eenheid.
    • Voeg en toe.
    • Voeg de tientalvorm toe.
    • Alles aan elkaar, zonder streepjes.
  3. Check speciale spelling.
    • Moet er een ë komen? (tweeën, drieën)
    • Is het een tienergetal? Dan -tien.

Zelfcheck: begrijp je het?

Beantwoord voor jezelf deze vragen. Kun je dit? Dan zit je goed.

  • Kun je deze cijfers in woorden schrijven?
    • 14 → veertien
    • 18 → achttien
    • 23 → drieëntwintig
    • 57 → zevenenvijftig
    • 100 → honderd
    • 200 → tweehonderd
  • Kun je snel horen of het een tienergetal is (eindigt op “tien”)?
  • Schrijf jij samengestelde getallen altijd aan elkaar, met -en- in het midden?

Als je één van deze punten nog lastig vindt, pak dan 5–10 willekeurige getallen uit je omgeving (prijzen, telefoonnummers, data) en schrijf ze bewust uit in woorden.

  1. Getallen van 0 tot 9 worden los gebruikt.
  2. Samengestelde getallen: Gebruik '-en-' bij tientallen en eenheden.
1 - Één11 - Elf30 - Dertig
2 - Twee12 - Twaalf40 - Veertig
3 - Drie13 - Dertien50 - Vijftig
4 - Vier14 - Veertien60 - Zestig
5 - Vijf15 - Vijftien70 - Zeventig
6 - Zes16 - Zestien80 - Tachtig
7 - Zeven17 - Zeventien90 - Negentig
8 - Acht18 - Achttien100 - Honderd
9 - Negen19 - Negentien200 - Tweehonderd
10 - Tien20 - Twintig300 - Driehonderd

Uitzonderingen!

  1. Getallen van vijftien tot en met negentien eindigen op 'tien'.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Mijn Nederlandse telefoonnummer is nul zes – ___ – drieëndertig – vijfenveertig.


2. In onze NT2-groep zitten dertig studenten, maar vandaag zijn er maar ___ in de klas.


3. Deze appels kosten drie euro en ___ cent, maar ik betaal met een biljet van tien euro.


4. Ik wil me inschrijven voor de cursus Nederlands van ___ weken.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen: vervang de cijfers door correcte Nederlandse hoofdtelwoorden (bijvoorbeeld: 12 → twaalf, 25 → vijfentwintig).

Toon/verberg hints
  1. Ik woon op nummer 18.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik woon op nummer achttien.
  2. Mijn telefoonnummer is 06 – 23 15 90 7.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mijn telefoonnummer is nul zes – drieëntwintig vijftien negentig zeven.
  3. De cursus kost 75 euro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De cursus kost vijfenzeventig euro.
  4. Ik werk al 11 jaar in Nederland.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik werk al elf jaar in Nederland.
  5. In mijn klas zitten 24 studenten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    In mijn klas zitten vierentwintig studenten.
  6. De bus komt om 08.45 uur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De bus komt om acht uur vijfenveertig.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Werk in tweetallen en zeg hoeveel stuks en euro’s elk product kost.

Situatie
Je telt samen boodschappen en prijzen bij de kassa in de supermarkt.

Bespreek
  • Welke aantallen koop je? Noem bijvoorbeeld één, twee of drie per product.
  • Wat is de prijs van elk product? Zeg tientallen en eenheden: bijvoorbeeld dertig euro? Waarom? (gebruik hoofdtelwoorden)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Één brood, twee appels, vier flessen water
  • Dertig euro, veertig euro, vijftig euro
  • Ik tel: één, twee, drie, vier, vijf

Gebruik in gesprek
  • hoofdtelwoorden 1-20
  • samengestelde tientallen met -en-

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 18:44