A1.4 - Getallen en tellen
Getallen en tellen
1. Taalonderdompeling
A1.4.1 Activiteit
Dure boodschappenprijzen
3. Grammatica
A1.4.2 Grammatica
Hoofdtelwoorden
Belangrijk werkwoord
Tellen (tellen)
Belangrijk werkwoord
Studeren (studeren)
Belangrijk werkwoord
Leren (leren)
4. Oefeningen
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. In de les ___ ik hardop van één tot tien.
2. Mijn docent ___ langzaam tot twintig en ik luister goed.
3. Wij ___ vandaag de getallen van dertig tot honderd.
4. In de avond ___ ik een uur en oefen ik de Nederlandse cijfers.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Boodschappen tellen in de supermarkt
Collega Mark: Show Kijk, we nemen drie broodjes en vijf appels, oké?
Jij: Show Wacht, dat is acht dingen, dat is veel.
Collega Mark: Show We zijn met vier mensen, dus acht is goed: twee per persoon.
Jij: Show O ja, vier collega’s, acht dingen, dat klopt, doen we zo.
Open vragen:
1. Hoeveel dingen koop jij vaak voor de lunch?
2. Kun jij tot tien tellen met fruit of groenten die jij kent?
Telefoonnummer leren van een nieuwe buurman
Buurman Erik: Show Ik ben Erik, ik woon op nummer tien, op de derde verdieping.
Jij: Show Hoi Erik, ik ben Sara, ik woon op vierentwintig, kun je je telefoonnummer zeggen?
Buurman Erik: Show Ja hoor, nul zes, twee drie, vijf acht, negen tien.
Jij: Show Dank je, ik schrijf het op, zo kan ik leren tellen in het Nederlands.
Open vragen:
1. Wat is jouw huisnummer en in welke straat woon jij?
2. Kun jij langzaam je telefoonnummer in het Nederlands zeggen?
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op een netwerkborrel. Een nieuwe collega vraagt naar jouw telefoonnummer. Noem rustig jouw nummer in cijfers. (Gebruik: één, twee, drie)
Mijn nummer is
Voorbeeld:
Mijn nummer is nul zes één twee drie vier vijf zes zeven acht.
2. Je bent in de supermarkt. Je vraagt aan de caissière: hoeveel kost de koffie? Antwoord daarna op haar vraag: ‘Hoeveel pakken neemt u?’ (Gebruik: tien, twintig, goedkoop)
Ik neem
Voorbeeld:
Ik neem tien pakken, want dat is goedkoop.
3. Je plant een online meeting met een klant. Hij vraagt: ‘Hoe laat begint de meeting?’ Noem het tijdstip met een getal. (Gebruik: vier, vijf, uur)
De meeting is om
Voorbeeld:
De meeting is om vier uur.
4. Je bent op cursus Nederlands. De docent vraagt: ‘Hoeveel cursisten zijn er in de groep?’ Geef een kort antwoord met een getal. (Gebruik: twintig, dertig, leren)
In de groep zijn
Voorbeeld:
In de groep zijn twintig cursisten en we leren samen Nederlands.
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over je laatste bezoek aan de supermarkt en hoeveel geld je daar ongeveer hebt betaald.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik ga naar de supermarkt om … te kopen. / Ik betaal ongeveer … euro. / Op de bon zie ik … / Ik vind dit duur / goedkoop.
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Lees de rekenopgaven hardop voor en los ze op. (Lees de rekentaken hardop voor en los ze op.)
- Geef een rekenopdracht aan de anderen. (Geef een rekentaak aan de anderen.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Tien plus twee is twaalf. |
|
Tien min twee is acht. |
|
Tien keer twee is twintig. |
|
Tien gedeeld door twee is vijf. |
|
Een dozijn is twaalf. |
| ... |