1. Waar gaat dit over?
In dit hoofdstuk leer je onbepaalde voornaamwoorden zoals ieder(e), elk(e), alles, wie, wat en allemaal.
Met deze woorden zeg je iets over “niet precies wíe of wát”, maar wel over een groep of mogelijkheid.
Na deze uitleg weet je:
- wanneer je ieder(e) en wanneer je elk(e) gebruikt
- wanneer je alles zegt en wanneer allemaal
- hoe je zinnen maakt met wie en wat als onbepaald voornaamwoord
2. Ieder(e) of elk(e)? Stap voor stap
Denk eerst: gaat het om een persoon of om een ding / zaak?
- Ieder(e) – gebruik je vooral voor personen.
- Elk(e) – gebruik je vooral voor dingen / zaken.
Daarna kijk je naar het woord erná: is het een de-woord of een het-woord?
| Soort zelfstandig naamwoord |
Persoon |
Ding / zaak |
| het-woord |
Ieder |
Elk |
| de-woord |
Iedere |
Elke |
Voorbeelden:
- Iedere student krijgt een wachtwoord. (persoon, de-woord)
- Ieder kind heeft een fiets. (persoon, het kind)
- Elk apparaat heeft een stekker. (ding, het apparaat)
- Elke vergadering begint om negen uur. (ding, de vergadering)
Tip: in de praktijk hoor je ook vaak ieder(e) bij dingen. Dat is meestal niet fout, maar het is stilistisch netter: ieder(e) = mensen, elk(e) = dingen.
3. Bijvoeglijk of zelfstandig gebruik?
Vraag jezelf altijd af:
- Staat er nog een zelfstandig naamwoord achter (student, apparaat, …)?
- Of staat het woord alleen in de zin?
- Bijvoeglijk gebruik – er komt nog een zelfstandig naamwoord achter.
- Iedere collega ontvangt een e-mail.
- Elk contract heeft voorwaarden.
- Zelfstandig gebruik – het woord staat alleen.
- De manager bedankt ieder. (= iedere persoon)
- Op elk zitten krasjes. (= elk apparaat / elk ding)
Zelfcheck: kun je achter ieder / elk nog een zelfstandig naamwoord denken? Dan is het zelfstandig gebruikt:
- De docent geeft een pen aan ieder. (= aan iedere student)
4. Alles of allemaal?
Hier gaat het vaak mis. Maak een duidelijk onderscheid:
| Vorm |
Gebruik je bij |
Kenmerk |
Voorbeeld |
| alles |
dingen / situaties |
enkelvoud |
Alles is klaar voor de vergadering. |
| allemaal |
personen of dingen in een groep |
meervoud |
Jullie zijn allemaal op tijd. |
Belangrijk:
- Alles verwijst naar “alle dingen samen” als één geheel.
- Allemaal hoort bij een meervoud of bij jullie / wij / ze.
Voorbeelden:
- De ramen, deuren en muren zijn vies. Alles is vies. (dingen)
- De studenten hebben de opdracht gemaakt. Ze hebben het allemaal gedaan. (personen)
- Hebben jullie allemaal de mail gelezen? (groep personen)
Let op: Hebben jullie alles de opdracht gemaakt? is fout in deze betekenis. Je bedoelt personen, niet dingen: gebruik allemaal.
5. Wie en wat als onbepaald voornaamwoord
Met wie en wat kun je een voorwaarde of regel uitdrukken.
- Wie – gaat over personen.
- Wat – gaat over dingen / acties / keuzes.
Typische patronen:
- Wie + persoonsvorm + … , …
- Wie te laat komt, moet zich melden bij de receptie.
- Wie de oven gebruikt, maakt hem daarna schoon.
- Wat + bijzin
- Wat je ook zegt, ik blijf thuis.
- Wat je vandaag doet, is goed.
Belangrijke beperking:
- Bij een vragend voornaamwoord (bijv. Hebben jullie … gedaan?) kun je alleen allemaal gebruiken voor personen:
- Hebben jullie allemaal de opdracht gemaakt?
- Alles gebruik je in uitspraken over zaken:
6. Snelkeuze: wat gebruik ik?
Gebruik deze korte beslisboom in je hoofd:
- Gaat het om personen?
- Ja → gebruik ieder(e) of allemaal.
- Nee → ga naar stap 2.
- Gaat het om dingen / feiten / situaties samen als één geheel?
- Ja → gebruik alles.
- Nee → ga naar stap 3.
- Gaat het om losse dingen in een groep?
En voor wie / wat:
- Regel of voorwaarde voor personen → Wie … , …
- Regel of voorwaarde voor dingen / acties / keuzes → Wat … , …
7. Zelfcheck: kun jij dit al?
Lees de zinnen en controleer in gedachten welk woord je kiest. Kijk daarna naar het voorbeeldantwoord.
- … medewerker moet inloggen met een eigen code.
- Antwoord: Iedere medewerker …
- … rapport ligt in de map op de server.
- De lampen, computers en printers doen het. … werkt.
- De collega’s hebben de training gevolgd. Ze hebben het … gedaan.
- Antwoord: … allemaal gedaan.
- … te laat komt, moet zich melden bij HR.
- Antwoord: Wie te laat komt …
Als je deze keuzes begrijpt en kunt uitleggen waarom, beheers je dit onderwerp op A1-niveau.