1. Taalonderdompeling
A1.34.1 Activiteit
Mijn eerste eigen appartement
3. Grammatica
A1.34.2 Grammatica
Onbepaalde voornaamworden (ieder, elk, alles, wat, wie, allemaal)
Belangrijk werkwoord
Brengen (brengen)
Belangrijk werkwoord
Dienen (dienen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
WhatsApp-bericht: Je krijgt een WhatsApp van je huisbaas over een kapotte wasmachine in jouw huurappartement; antwoord om het probleem uit te leggen en een afspraak te maken.
Hoi [voornaam],
Ik heb je bericht over de wasmachine gelezen. Jammer dat hij niet goed werkt.
Kun je mij kort zeggen:
- Wat precies het probleem is? (maakt hij geluid, lekt hij water, stopt hij halverwege?)
- Wanneer is het begonnen?
- Wie kan de monteur binnenlaten? Jij of iemand anders?
Dan bel ik vandaag nog een monteur. De monteur kijkt ook even naar de afwasmachine en de verwarming als dat nodig is.
Groet,
Mark (huisbaas)
Hoi [voornaam],
Ik heb je bericht over de wasmachine gelezen. Jammer dat hij niet goed werkt.
Kun je mij kort vertellen:
- Wat precies het probleem is? (maakt hij geluid, lekt hij water, stopt hij halverwege?)
- Wanneer het begonnen is?
- Wie de monteur kan binnenlaten? Jij of iemand anders?
Dan bel ik vandaag nog een monteur. De monteur kijkt ook even naar de vaatwasser en de verwarming als dat nodig is.
Groet,
Mark (huisbaas)
Begrijp de tekst:
-
Wat wil Mark precies weten over de wasmachine? Noem minstens twee dingen.
-
Wat gaat Mark doen als hij jouw informatie heeft gekregen?
Nuttige zinnen:
-
Hoi Mark,
-
Het probleem is dat…
-
Ik kan de monteur binnenlaten op…
De wasmachine maakt veel lawaai en stopt na ongeveer vijf minuten. Er loopt ook een beetje water op de vloer. Het is gisteren begonnen.
Ik kan de monteur zelf binnenlaten. Op woensdag en vrijdag ben ik de hele dag thuis. Op andere dagen ben ik na 18:00 uur thuis.
Met de afwasmachine en de verwarming is er nu geen probleem.
Groet,
Sara
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Iedere ochtend ___ ik het glas naar de glasbak voordat ik de afwasmachine aanzet.
2. Wie ___ vanavond de kapotte stofzuiger naar de reparatiewinkel?
3. Elke winter ___ de verwarming goed te werken, want in dit oude huis is alles snel koud.
4. Wat ___ u te doen als de wasmachine lekt, en wie brengt dan allemaal handdoeken om het water op te ruimen?
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je belt de huisbaas. De afwasmachine in je appartement werkt niet. Leg kort uit wat er is en wat je wilt. (Gebruik: De afwasmachine, niet werken, repareren)
De afwasmachine
Voorbeeld:
De afwasmachine werkt niet goed. Het water gaat niet weg. Kunt u iemand sturen om het te repareren?
2. Je bent in de winkel. Je wilt een nieuwe koelkast voor je appartement. Vraag naar een eenvoudige koelkast. (Gebruik: De koelkast, groot/klein, goedkoop)
Ik wil graag
Voorbeeld:
Ik wil graag een simpele koelkast. Niet te groot en niet te duur, alstublieft.
3. Je zit thuis op kantoor. Het is koud. Je vraagt je partner om de verwarming aan te zetten. (Gebruik: De verwarming, aanzetten, koud)
Kun je de verwarming
Voorbeeld:
Kun je de verwarming aanzetten? Het is hier erg koud.
4. Je gaat op vakantie. Je vraagt een collega om de wasmachine niet te gebruiken in jouw appartement. Leg kort uit. (Gebruik: De wasmachine, uitzetten, vakantie)
De wasmachine graag
Voorbeeld:
De wasmachine graag uitlaten als ik op vakantie ben. Gebruik hem liever niet, alsjeblieft.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over de huishoudelijke apparaten in jouw huis en leg uit waarvoor je ze gebruikt.
Nuttige uitdrukkingen:
In mijn huis staat een … / Ik gebruik dit apparaat om … / Elke dag zet ik … aan. / Thuis vind ik … het belangrijkste apparaat.
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Noem elk apparaat en waar het voor wordt gebruikt. (Noem elk apparaat en waar het voor wordt gebruikt.)
- Geef aan welke van die apparaten je meestal gebruikt. (Vertel welke van die apparaten je meestal gebruikt.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten