1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (13)

De afwasmachine

De afwasmachine Show

The dishwasher Show

De koelkast

De koelkast Show

The refrigerator Show

De magnetron

De magnetron Show

The microwave Show

De oven

De oven Show

The oven Show

De stofzuiger

De stofzuiger Show

The vacuum cleaner Show

De vriezer

De vriezer Show

The freezer Show

De wasmachine

De wasmachine Show

The washing machine Show

Het strijkijzer

Het strijkijzer Show

The iron Show

De verwarming

De verwarming Show

The heating Show

Aanzetten

Aanzetten Show

To turn on Show

Uitzetten

Uitzetten Show

To turn off Show

Brengen

Brengen Show

To bring Show

Dienen

Dienen Show

To serve Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp-bericht: Je krijgt een WhatsApp van je huisbaas over een kapotte wasmachine in jouw huurappartement; antwoord om het probleem uit te leggen en een afspraak te maken.


Hoi [voornaam],

Ik heb je bericht over de wasmachine gelezen. Jammer dat hij niet goed werkt.

Kun je mij kort zeggen:

  • Wat precies het probleem is? (maakt hij geluid, lekt hij water, stopt hij halverwege?)
  • Wanneer is het begonnen?
  • Wie kan de monteur binnenlaten? Jij of iemand anders?

Dan bel ik vandaag nog een monteur. De monteur kijkt ook even naar de afwasmachine en de verwarming als dat nodig is.

Groet,
Mark (huisbaas)


Hoi [voornaam],

Ik heb je bericht over de wasmachine gelezen. Jammer dat hij niet goed werkt.

Kun je mij kort vertellen:

  • Wat precies het probleem is? (maakt hij geluid, lekt hij water, stopt hij halverwege?)
  • Wanneer het begonnen is?
  • Wie de monteur kan binnenlaten? Jij of iemand anders?

Dan bel ik vandaag nog een monteur. De monteur kijkt ook even naar de vaatwasser en de verwarming als dat nodig is.

Groet,
Mark (huisbaas)


Begrijp de tekst:

  1. Wat wil Mark precies weten over de wasmachine? Noem minstens twee dingen.

  2. Wat gaat Mark doen als hij jouw informatie heeft gekregen?

Nuttige zinnen:

  1. Hoi Mark,

  2. Het probleem is dat…

  3. Ik kan de monteur binnenlaten op…

Hoi Mark,

De wasmachine maakt veel lawaai en stopt na ongeveer vijf minuten. Er loopt ook een beetje water op de vloer. Het is gisteren begonnen.

Ik kan de monteur zelf binnenlaten. Op woensdag en vrijdag ben ik de hele dag thuis. Op andere dagen ben ik na 18:00 uur thuis.

Met de afwasmachine en de verwarming is er nu geen probleem.

Groet,
Sara

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik zet de wasmachine aan, want ik wil straks schone kleren.
De koelkast doet het niet, dus ik bel de huisbaas.
Elke ochtend zet ik de verwarming even aan.
Wie zet na het eten de afwasmachine aan?:

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Iedere ochtend ___ ik het glas naar de glasbak voordat ik de afwasmachine aanzet.


2. Wie ___ vanavond de kapotte stofzuiger naar de reparatiewinkel?


3. Elke winter ___ de verwarming goed te werken, want in dit oude huis is alles snel koud.


4. Wat ___ u te doen als de wasmachine lekt, en wie brengt dan allemaal handdoeken om het water op te ruimen?


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je belt de huisbaas. De afwasmachine in je appartement werkt niet. Leg kort uit wat er is en wat je wilt. (Gebruik: De afwasmachine, niet werken, repareren)

De afwasmachine    

Voorbeeld:

De afwasmachine werkt niet goed. Het water gaat niet weg. Kunt u iemand sturen om het te repareren?

2. Je bent in de winkel. Je wilt een nieuwe koelkast voor je appartement. Vraag naar een eenvoudige koelkast. (Gebruik: De koelkast, groot/klein, goedkoop)

Ik wil graag    

Voorbeeld:

Ik wil graag een simpele koelkast. Niet te groot en niet te duur, alstublieft.

3. Je zit thuis op kantoor. Het is koud. Je vraagt je partner om de verwarming aan te zetten. (Gebruik: De verwarming, aanzetten, koud)

Kun je de verwarming    

Voorbeeld:

Kun je de verwarming aanzetten? Het is hier erg koud.

4. Je gaat op vakantie. Je vraagt een collega om de wasmachine niet te gebruiken in jouw appartement. Leg kort uit. (Gebruik: De wasmachine, uitzetten, vakantie)

De wasmachine graag    

Voorbeeld:

De wasmachine graag uitlaten als ik op vakantie ben. Gebruik hem liever niet, alsjeblieft.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over de huishoudelijke apparaten in jouw huis en leg uit waarvoor je ze gebruikt.

Nuttige uitdrukkingen:

In mijn huis staat een … / Ik gebruik dit apparaat om … / Elke dag zet ik … aan. / Thuis vind ik … het belangrijkste apparaat.

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Noem elk apparaat en waar het voor wordt gebruikt. (Noem elk apparaat en waar het voor wordt gebruikt.)
  2. Geef aan welke van die apparaten je meestal gebruikt. (Vertel welke van die apparaten je meestal gebruikt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Er is een oven in de keuken.

Er is een grote koelkast in de keuken.

De stofzuiger wordt gebruikt om schoon te maken.

Je zet de radiator aan wanneer het koud is.

Ik gebruik de droger om mijn kleren sneller te drogen.

Je kunt je kleren in de kledingkast leggen.

...