Sterke werkwoorden veranderen van klinker in de verleden tijd, zoals bleef, hielp, rook.

  1. Bij de onvoltooid verleden tijd van sterke werkwoorden, zie je een klinkerverandering.
  2. In het meervoud wordt -en toegevoegd.
  3. In het enkelvoud wordt niets toegevoegd.
  4. Bij sterke werkwoorden wordt geen -te(n)/-de(n) toegevoegd.
CategorieInfinitiefO.v.t.
ij → eeblijven (blijven)
kijken (kijken)
rijden (rijden)
lijken (lijken)
...
bleef (bleef)
keek (keek)
reed (reed)
leek (leek)
...
ie → ookiezen (kiezen)
vliegen (vliegen)
bieden (bieden)
verliezen (verliezen)
...
koos (koos)
vloog (vloog)
bood (bood)
verloor (verloor)
...
ui → ooruiken (ruiken)
sluiten (sluiten)
fluiten (fluiten)
zuigen (zuigen)
...
rook (rook)
sloot (sloot)
floot (floot)
zoog (zoog)
...
i → obeginnen (beginnen)
drinken (drinken)
springen (springen)
vinden (vinden)
...
begon (begon)
dronk (dronk)
sprong (sprong)
vond (vond)
...
e → otrekken (trekken)
vechten (vechten)
zwemmen (zwemmen)
schenken (schenken)
...
trok (trok)
vocht (vocht)
zwom (zwom)
schonk (schonk)
...
e → ooscheren (scheren)
wegen (wegen)
bewegen (bewegen)
zweren (zweren)
...
schoor (schoor)
woog (woog)
bewoog (bewoog)
zwoor (zwoor)
...
a → ieblazen (blazen)
laten (laten)
slapen (slapen)
vallen (vallen)
blies (blies)
liet (liet)
sliep (sliep)
viel (viel)
e → aeten (eten)
genezen (genezen)
geven (geven)
vergeten (vergeten)
at (at)
genas (genas)
gaf (gaf)
vergat (vergat)
e → iehelpen (helpen)
bederven (bederven)
scheppen (scheppen)
sterven (sterven)
hielp (hielp)
bedierf (bedierf)
schiep (schiep)
stierf (stierf)

Overige:
i → a



a → oe


ou → ie
e → i
o → e

liggen (liggen)
bidden (bidden)
zitten (zitten)

dragen (dragen)
varen (varen)
graven (graven)

houden (houden)
weten (weten)
worden (worden)

lag (lag)
bad (bad)
zat (zat)

droeg (droeg)
voer (voer)
groef (groef)


hield (hield)
wist (wist)
werd (werd)

Oefening 1: Onvoltooid verleden tijd: sterke werkwoorden

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

lag, liet, boden, sprong, bleven, hielp, reden, gaven

1. Rijden:
Jullie ... snel naar de spoedeisende hulp.
(Jullie reden snel naar de spoedeisende hulp.)
2. Geven:
De hulpdiensten ... belangrijke informatie tijdens de evacuatie.
(De hulpdiensten gaven belangrijke informatie tijdens de evacuatie.)
3. Blijven:
Wij ... binnen vanwege de brand.
(Wij bleven binnen vanwege de brand.)
4. Bieden:
We ... hulp bij het spoedgeval.
(We boden hulp bij het spoedgeval.)
5. Springen:
De brandweer ... in actie na de melding.
(De brandweer sprong in actie na de melding.)
6. 3-Helpen:
Hij ... de ambulance met het slachtoffer.
(Hij hielp de ambulance met het slachtoffer.)
7. Laten:
De agent ... de mensen het gebouw verlaten toen de brand begon.
(De agent liet de mensen het gebouw verlaten toen de brand begon.)
8. Liggen:
Het slachtoffer ... op de grond toen de ambulance arriveerde.
(Het slachtoffer lag op de grond toen de ambulance arriveerde.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies in elke groep de correcte zin met de juiste onvoltooid verleden tijd van een sterk werkwoord. Let op de klinkerverandering en de juiste vervoeging zonder extra -te(n)/-de(n).

1.
Onjuist: enkelvoud krijgt geen -en en de klinkerverandering is onjuist.
Onjuist: sterke werkwoorden krijgen geen -de(n) in de verleden tijd.
2.
Onjuist: 'kiest' is tegenwoordige tijd, niet verleden tijd.
Onjuist: sterke werkwoorden krijgen geen -de(n) in de verleden tijd.
3.
Onjuist: 'vloog' is enkelvoud, hier is meervoud nodig.
Onjuist: sterke werkwoorden krijgen geen -de(n) in de verleden tijd.
4.
Onjuist: 'reden' is meervoud, hier is enkelvoud nodig.
Onjuist: 'rijkte' is fout, geen klinkerverandering en verkeerde uitgang.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de onvoltooid verleden tijd. Gebruik de juiste sterke werkwoorden (bijv. bleef, keek, reed, koos, dronk, vond, hielp, at, gaf, werd).

Toon/verberg hints
  1. Ik blijf altijd lang op mijn werk.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik bleef altijd lang op mijn werk.
  2. Wij drinken koffie in de kantine.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij dronken koffie in de kantine.
  3. Hij vindt het rapport te lang.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij vond het rapport te lang.
  4. De directeur geeft elke maandag een korte presentatie.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De directeur gaf elke maandag een korte presentatie.
  5. Jullie kiezen een nieuwe datum voor de vergadering.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie kozen een nieuwe datum voor de vergadering.
  6. Zij helpt haar collega met de computer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Zij hielp haar collega met de computer.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

zaterdag, 10/01/2026 02:08