Sterke werkwoorden veranderen van klinker in de verleden tijd, zoals bleef, hielp, rook.
(Les verbes forts changent de voyelle au passé
- Au onvoltooid verleden tijd des verbes forts, on voit un changement de voyelle.
- Au pluriel, on ajoute -en.
- Au singulier, on n’ajoute rien.
- Pour les verbes forts, on n’ajoute pas -te(n)/-de(n).
| Categorie (Catégorie) | Infinitief (Infinitif) | O.v.t. (Imparfait) |
|---|---|---|
| ij → ee | blijven kijken rijden lijken ... | bleef keek reed leek ... |
| ie → oo | kiezen vliegen bieden verliezen ... | koos vloog bood verloor ... |
| ui → oo | ruiken sluiten fluiten zuigen ... | rook sloot floot zoog ... |
| i → o | beginnen drinken springen vinden ... | begon dronk sprong vond ... |
| e → o | trekken vechten zwemmen schenken ... | trok vocht zwom schonk ... |
| e → oo | scheren wegen bewegen zweren ... | schoor woog bewoog zwoor ... |
| a → ie | blazen laten slapen vallen | blies liet sliep viel |
| e → a | eten genezen geven vergeten | at genas gaf vergat |
| e → ie | helpen bederven scheppen sterven | hielp bedierf schiep stierf |
Overige: (Autres :)
| liggen dragen | lag droeg
|
Exercice 1: Choix multiple
Instruction: Choisissez la bonne réponse
1. Gisteren ___ de man heel rustig aan de telefoon terwijl hij de brandweer belde.
Hier, ___ l'homme très calme au téléphone pendant qu'il appelait les pompiers.)2. De ambulanceverpleegkundige ___ de gewonde vrouw meteen hulp aan.
L'infirmier(ère) d'ambulance ___ immédiatement la femme blessée.)3. Vorige week ___ mijn buurman op straat, maar een voorbijganger hielp hem meteen.
La semaine dernière ___ mon voisin dans la rue, mais un passant l'a aidé tout de suite.)4. De arts ___ gisteren duidelijke uitleg over de behandeling op de spoedeisende hulp.
Le médecin ___ hier des explications claires sur le traitement aux urgences.)Exercice 2: Choix multiple
Instruction: Choisissez dans chaque groupe la phrase correcte avec le bon imparfait d'un verbe fort. Faites attention au changement de voyelle et à la bonne conjugaison sans ajout de -te(n)/-de(n).
Exercice 3: Réécrivez les phrases
Instruction: Réécris les phrases à l’imparfait. Utilise les verbes forts appropriés (par ex. resta, regarda, alla en voiture, choisit, but, trouva, aida, mangea, donna, devint).
-
Ik blijf altijd lang op mijn werk.⇒ _______________________________________________ ExampleIk bleef altijd lang op mijn werk.(Ik bleef altijd lang op mijn werk.)
-
Wij drinken koffie in de kantine.⇒ _______________________________________________ ExampleWij dronken koffie in de kantine.(Wij dronken koffie in de kantine.)
-
Hij vindt het rapport te lang.⇒ _______________________________________________ ExampleHij vond het rapport te lang.(Hij vond het rapport te lang.)
-
De directeur geeft elke maandag een korte presentatie.⇒ _______________________________________________ ExampleDe directeur gaf elke maandag een korte presentatie.(De directeur gaf elke maandag een korte presentatie.)
Exercice 4: Grammaire en action
Instruction: Racontez ensemble, au passé, ce qui s’est exactement passé hier.
- Wie belde het noodnummer en wat zei die persoon tegen de hulpdiensten? (Qui a appelé le numéro d'urgence et qu'a dit cette personne aux secours ?)
- Wat deed de brandweer toen ze arriveerden en hoe reageerden de buren? (Que firent les pompiers à leur arrivée et comment les voisins ont-ils réagi ?)
- De brandweer kwam snel. (Les pompiers sont arrivés rapidement.)
- De ambulance reed naar het gebouw. (L'ambulance est allée jusqu'à l'immeuble.)
- Iemand belde het noodnummer. (Quelqu'un a appelé le numéro d'urgence.)
- onvoltooid verleden tijd sterke werkwoorden in enkelvoud (imparfait/passé simple des verbes forts à la forme singulière)
- onvoltooid verleden tijd sterke werkwoorden in meervoud (imparfait/passé simple des verbes forts à la forme plurielle)