Persoonlijke voornaamwoorden vervangen namen en worden als onderwerp gebruikt. Voorbeelden: ik, jij, wij, zij.

  1. Eerste persoon: 'ik' voor enkelvoud, 'wij' voor meervoud.
  2. Tweede persoon: 'jij' voor informeel, 'u' voor formeel.
  3. Derde persoon: 'hij' voor mannelijk, 'zij' voor vrouwelijk.
Persoon (Persoon)Enkelvoud (Enkelvoud)Meervoud (Meervoud)
1. ikwij / we
2. jij / je / ujullie
3. hij / zij / zezij / ze
3. (onzijdig)het / 't 

Uitzonderingen!

  1. Gebruik 'je' in informele situaties in plaats van 'jij'.
  2. Gebruik 'u' voor beleefde of formele situaties.
  3. Het onzijdig voornaamwoord 'het' verwijst naar dingen of ideeën.
  4. Je, ze, en we kunnen niet gebruikt worden bij contrast of benadrukking, zoals: 'Wie heeft de afwas gedaan? Zij heeft dat gedaan, jij niet!

Oefening 1: Persoonlijke voornaamwoorden (ik, jij, hij, …)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

Hij, Zij, Ik, Wij, Het, U

1.
... woont in Rotterdam.
(Zij woont in Rotterdam.)
2.
... bent meneer Jansen, toch?
(U bent meneer Jansen, toch?)
3.
... zijn mijn vrienden.
(Zij zijn mijn vrienden.)
4.
... regent vandaag.
(Het regent vandaag.)
5.
... is tijd om te gaan.
(Het is tijd om te gaan.)
6.
... woon in Amsterdam.
(Ik woon in Amsterdam.)
7.
... gaan naar de markt.
(Wij gaan naar de markt.)
8.
... is mijn broer.
(Hij is mijn broer.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Goedemorgen, ik ben Thomas, ___ ben nieuw op de afdeling.


2. Sorry, kunt u dat herhalen? ___ versta het niet goed.


3. Hallo, ___ zijn nieuw hier. Wij komen uit Spanje.


4. Goedemiddag, docent. ___ heb een vraag. Kunt u de les van morgen toelichten?


Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zin en vervang de aangegeven naam of groep door het juiste persoonlijk voornaamwoord (ik, jij/je, u, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie).

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (zij) Anna en Mark werken in Amsterdam.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Zij werken in Amsterdam.
  2. Hint Hint (wij) Mijn collega en ik drinken koffie op kantoor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij drinken koffie op kantoor.
  3. Hint Hint (hij) De manager stuurt een e-mail.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij stuurt een e-mail.
  4. Hint Hint (het) De vergadering is om tien uur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De vergadering is om tien uur. → Het is om tien uur.
  5. Hint Hint (jij) Peter, kom je morgen naar het werk?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Kom jij morgen naar het werk?
  6. Hint Hint (u) Meneer De Vries, werkt meneer De Vries hier al lang?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Meneer De Vries, werkt u hier al lang?

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage