Persoonlijke voornaamwoorden vervangen namen en worden als onderwerp gebruikt. Voorbeelden: ik, jij, wij, zij.

Wat zijn persoonlijke voornaamwoorden?

Persoonlijke voornaamwoorden vervangen een persoon, een ding of een groep.

Ze beantwoorden vragen als: Wie doet het? of Over wie gaat het?

  • ik – spreker zelf
  • jij / je / u – de persoon tegen wie je praat
  • hij, zij / ze, het – iemand of iets waar je over praat
  • wij / we, jullie, zij / ze – groepen mensen

Jij, je of u? (tweede persoon enkelvoud)

Hier hebben veel cursisten vragen over. Kijk naar deze drie vormen:

  • jij – informeel, nadruk
  • je – informeel, neutraal, geen nadruk
  • u – formeel / beleefd

1. Informeel: jij of je?

  • In normale, informele zinnen gebruik je meestal je.
  • Je gebruikt jij als je wilt benadrukken: niet iemand anders, maar jij.
NeutraalMet nadruk
Waar woon je?Waar woon jij (en niet hij)?
Werk je vandaag?Jij werkt vandaag, ik niet.

2. Formeel: u

  • Gebruik u bij volwassenen die je niet kent (klanten, arts, docent, manager…).
  • u is altijd beleefd en nooit informeel.
InformeelWerk je morgen?
FormeelWerkt u morgen?

Wij of we? Zij of ze? Jij of je? (korte en lange vorm)

Nog een veelgestelde vraag: wanneer de korte vorm gebruiken?

  • ik heeft geen korte vorm.
  • jij – je
  • wij – we
  • zij – ze (enkelvoud en meervoud)

Algemene regel

  • In normale, neutrale zinnen gebruik je meestal de korte vorm (je, we, ze).
  • De lange vorm (jij, wij, zij) gebruik je vooral bij nadruk of contrast.
Neutraal (kort)Met nadruk (lang)
We hebben een vergadering.Wij hebben een vergadering, zij niet.
Ze komt morgen.Zij komt morgen, jij niet.
Ga je mee lunchen?Jij gaat mee, ik blijf hier.

Belangrijk: de korte vormen je, we, ze gebruik je niet bij sterk contrast of nadruk.

Bijvoorbeeld:

  • Wie heeft de afwas gedaan? Zij heeft dat gedaan, jij niet!
    Ze heeft dat gedaan, je niet. (niet goed)

Hij, zij, het – personen en dingen

In het Nederlands moet je voor dingen ook vaak kiezen: hij, zij of het.

Je kijkt dan naar het lidwoord van het zelfstandig naamwoord.

WoordLidwoordPersoonlijk voornaamwoordVoorbeeld
de laptopdehijWaar is de laptop? Hij ligt op tafel.
de vergaderingdezijDe vergadering is om tien uur. Zij is om tien uur.
het contracthethetHet contract is klaar. Het ligt hier.
  • Voor de-woorden kun je in principe hij of zij gebruiken; vaak voelt één vorm natuurlijker.
  • Voor het-woorden gebruik je het.

Het: ding, situatie of idee

Het gebruik je niet alleen voor een enkel woord, maar ook voor:

  • een hele zin / situatie
  • een onduidelijk of algemeen “iets”

Voorbeelden:

  • Het is druk op kantoor vandaag. (de situatie)
  • Ik heb een nieuw project. Het is erg interessant.
  • Ik begrijp het niet. (wat je net zei)

Onderwerpvorm: ik, jij, hij… (geen me/mij/haar/hem)

In deze les gaat het over het onderwerp van de zin: wie doet de actie?

  • Dan gebruik je: ik, jij/je, u, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie, zij/ze
  • Je gebruikt niet: me, mij, hem, haar, ons, hen, hun.
Goed (onderwerp)Fout (niet als onderwerp)
Ik ben nieuw hier.Mij ben nieuw hier.
Wij werken in Rotterdam.Ons werken in Rotterdam.
Hij belt de klant.Hem belt de klant.

Stap voor stap kiezen: welk voornaamwoord gebruik ik?

  1. Wie doet de actie?
    • Ik zelf → ik
    • Iemand anders + ik → wij/we
    • Alleen de ander(en) → jij/je, jullie, hij, zij/ze, het
  2. Praat ik formeel of informeel?
    • Informeel tegen één persoon → jij / je
    • Formeel / beleefd tegen één persoon → u
    • Tegen meer personen → jullie
  3. Is er nadruk of contrast?
    • Geen nadruk → korte vorm: je, we, ze
    • Wel nadruk / vergelijking → lange vorm: jij, wij, zij
  4. Verwijs ik naar een ding?
    • het-woordhet
    • de-woord → meestal hij of soms zij
    • Hele situatie / idee → ook vaak het

Zelfcheck: begrijp ik het?

Controleer voor jezelf deze punten:

  • Ik weet wanneer ik jij / je en wanneer ik u gebruik.
  • Ik kan uitleggen waarom ik soms we en soms wij zeg.
  • Ik gebruik bij nadruk de lange vorm: jij, wij, zij.
  • Ik gebruik het voor onzijdige woorden en voor situaties / ideeën.
  • In de oefeningen kies ik altijd de onderwerpvorm (ik, jij, hij…), niet: me, hem, haar.

Als je deze punten met “ja” kunt beantwoorden, heb je de basis van de persoonlijke voornaamwoorden onder controle en kun je je tijdens de les richten op spreken en oefenen.

  1. Eerste persoon: 'ik' voor enkelvoud, 'wij' voor meervoud.
  2. Tweede persoon: 'jij' voor informeel, 'u' voor formeel.
  3. Derde persoon: 'hij' voor mannelijk, 'zij' voor vrouwelijk.
PersoonEnkelvoudMeervoud
1. ikwij / we
2. jij / je / ujullie
3. hij / zij / zezij / ze
3. (onzijdig)het / 't 

Uitzonderingen!

  1. Gebruik 'je' in informele situaties in plaats van 'jij'.
  2. Gebruik 'u' voor beleefde of formele situaties.
  3. Het onzijdig voornaamwoord 'het' verwijst naar dingen of ideeën.
  4. Je, ze, en we kunnen niet gebruikt worden bij contrast of benadrukking, zoals: 'Wie heeft de afwas gedaan? Zij heeft dat gedaan, jij niet!

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Goedemorgen, ik ben Thomas, ___ ben nieuw op de afdeling.


2. Sorry, kunt u dat herhalen? ___ versta het niet goed.


3. Hallo, ___ zijn nieuw hier. Wij komen uit Spanje.


4. Goedemiddag, docent. ___ heb een vraag. Kunt u de les van morgen toelichten?


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zin en vervang de aangegeven naam of groep door het juiste persoonlijk voornaamwoord (ik, jij/je, u, hij, zij/ze, het, wij/we, jullie).

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (zij) Anna en Mark werken in Amsterdam.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Zij werken in Amsterdam.
  2. Hint Hint (wij) Mijn collega en ik drinken koffie op kantoor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij drinken koffie op kantoor.
  3. Hint Hint (hij) De manager stuurt een e-mail.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij stuurt een e-mail.
  4. Hint Hint (het) De vergadering is om tien uur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De vergadering is om tien uur. → Het is om tien uur.
  5. Hint Hint (jij) Peter, kom je morgen naar het werk?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Kom jij morgen naar het werk?
  6. Hint Hint (u) Meneer De Vries, werkt meneer De Vries hier al lang?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Meneer De Vries, werkt u hier al lang?

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Speel een kort begroetingsgesprek: eerst voorstellen, daarna afscheid nemen.

Situatie
Je ontmoet een nieuwe collega bij de ingang van het kantoor.

Bespreek
  • Wie ben jij? Stel jezelf kort voor en vraag naar de ander.
  • Welke begroeting gebruik je in de ochtend en welke in de avond? Leg kort uit.

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Goedemorgen. Ik ben ... Aangenaam!
  • Goedemiddag, hoe heet u? Ik werk hier.
  • Leuk je te ontmoeten. Tot ziens / Tot straks.

Gebruik in gesprek
  • ik
  • jij / u
  • wij / hij / zij

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage