Deze les behandelt scheidbare werkwoorden zoals opruimen, terugbellen en uitnodigen. Leer hoe voorvoegsels zoals op-, terug-, en uit- het werkwoord beïnvloeden en correct worden gebruikt in zinnen.
  1. Het eerste deel is vaak een voorvoegsel of bijvoeglijk naamwoord.
  2. Het werkwoordelijke deel wordt vervoegd zoals normale werkwoorden.
  3. Voltooid deelwoord: ge- komt tussen voorvoegsel en werkwoord. Bijvoorbeeld: 'tegenkomen' ⇒ 'tegengekomen'
VoorvoegselWerkwoordVoorbeeldzin
op-opruimenIk ruim mijn bureau op na het werk.
tegen-tegenkomenIk kom veel leuke vacatures tegen op het internet.
mee-meebrengenIk breng mijn cv mee naar de sollicitatie.
toe-toelatenWe laten geen nieuwe werknemers toe.
terug-terugbellenDe werkgever belt je terug na de sollicitatie.
bij-bijwerkenIk werk mijn cv bij.
uit-uitnodigenHet bedrijf nodigt kandidaten uit voor een gesprek.
af-afstuderenHij studeerde vorig jaar af aan de universiteit.
binnen-binnenkomenIk kom om 9 uur binnen bij mijn sollicitatie.
na-nakijkenIk kijk mijn sollicitatiebrief goed na om fouten te vermijden.

Uitzonderingen!

  1. Niet-scheidbaar als klemtoon op het tweede deel valt.
  2. Werkwoorden met voorvoegsels be-, ge-, her-, ont-, ver-, er- zijn niet-scheidbaar.

Oefening 1: Scheidbare werkwoorden

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

stuurt, zoekt, maakt, neemt, uitgenodigd, bel, bijgewerkt

1. Klaarmaken:
De sollicitant ... zijn cv klaar voor het sollicitatiegesprek.
(De sollicitant maakt zijn cv klaar voor het sollicitatiegesprek.)
2. Opsturen:
Hij ... de sollicitatiebrief vandaag op naar de werkgever.
(Hij stuurt de sollicitatiebrief vandaag op naar de werkgever.)
3. Meenemen:
De werkgever ... de sollicitant mee naar het gesprek.
(De werkgever neemt de sollicitant mee naar het gesprek.)
4. Bijwerken:
De jobbeschrijving wordt elke week ... door de werkgever.
(De jobbeschrijving wordt elke week bijgewerkt door de werkgever.)
5. Terugbellen:
Ik ... het uitzendbureau terug voor een afspraak.
(Ik bel het uitzendbureau terug voor een afspraak.)
6. Uitnodigen:
Ik ben ... voor een sollicitatiegesprek.
(Ik ben uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek.)
7. Uitzoeken:
Het uitzendbureau ... een geschikte kandidaat uit.
(Het uitzendbureau zoekt een geschikte kandidaat uit.)
8. Aannemen:
De werkgever ... nieuwe medewerkers aan voor het bedrijf.
(De werkgever neemt nieuwe medewerkers aan voor het bedrijf.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies voor elke zin de correcte vorm van het scheidbare werkwoord. Let goed op de plaats van het voorvoegsel en de juiste vervoeging van het werkwoord.

1.
Hier staat het voorvoegsel 'op' verkeerd vast aan het vervoegde werkwoord 'ruim'. Bij scheidbare werkwoorden moet het voorvoegsel los staan in een hoofdzin.
De volgorde is fout; het vervoegde werkwoord moet direct na het onderwerp staan en het voorvoegsel los erachter.
2.
Bij scheidbare werkwoorden staat het voorvoegsel meestal los in de hoofdzin, niet vast aan het werkwoord.
De volgorde van de woorden is onjuist; het voorvoegsel staat niet direct achter het werkwoord.
3.
De plaats van 'na' is fout; het moet direct achter het vervoegde werkwoord staan, niet na het lijdend voorwerp.
Het voorvoegsel 'na' staat hier ten onrechte vast aan het werkwoord. Bij scheidbare werkwoorden moet het los staan in een hoofdzin.
4.
Hier is het werkwoord verkeerd vervoegd en het voorvoegsel staat niet los. Voltooid deelwoord zonder hulpwerkwoord is fout.
De plaatsing van het bijwoord 'vorig jaar' hoort niet tussen het werkwoord en het voorvoegsel te staan.

Scheidbare Werkwoorden: Een Overzicht

Deze les behandelt het thema scheidbare werkwoorden in het Nederlands, geschikt voor het A2-niveau. Scheidbare werkwoorden bestaan uit twee delen: een voorvoegsel en een werkwoord. Het voorvoegsel kan vaak los van het werkwoord worden gebruikt in bepaalde zinnen, wat een belangrijk kenmerk is om te begrijpen voor correcte zinsbouw.

Wat Zijn Scheidbare Werkwoorden?

Een scheidbaar werkwoord bestaat uit een voorvoegsel en het werkwoord zelf, bijvoorbeeld schoonmaken, weglopen, en opeten. Het voorvoegsel is meestal een korte woordgroep die aan het begin van het werkwoord toegevoegd is. Het werkwoord wordt vervoegd volgens de gebruikelijke regels, en het voorvoegsel kan in hoofdzin vaak los staan van het werkwoord.

Voorvoegsels en Voorbeelden

Enkele veelvoorkomende voorvoegsels zijn:

  • op- zoals in opruimen: "Ik ruim mijn bureau op na het werk."
  • tegen- zoals in tegenkomen: "Ik kom veel leuke vacatures tegen op het internet."
  • mee- zoals in meebrengen: "Ik breng mijn cv mee naar de sollicitatie."
  • toe- zoals in toelaten: "We laten geen nieuwe werknemers toe."
  • terug- zoals in terugbellen: "De werkgever belt je terug na de sollicitatie."

Andere voorbeelden met belangrijke voorvoegsels zijn bijwerken, uitnodigen, afstuderen, binnenkomen, en nakijken.

Vervoeging en Voltooid Deelwoord

De vervoeging van het werkwoord gaat zoals bij andere werkwoorden. Een speciaal kenmerk is bij het voltooid deelwoord: de ge- komt tussen het voorvoegsel en het werkwoord. Bijvoorbeeld:

  • tegenkomen wordt tegengekomen
  • opruimen wordt opgeruimd

Scheidbaarheid en Klemtoon

Niet alle werkwoorden met voorvoegsels zijn scheidbaar. Als de klemtoon op het tweede deel van het woord valt, is het werkwoord niet scheidbaar. Werkwoorden die beginnen met voorvoegsels als be-, ge-, her-, ont-, ver-, er- zijn meestal niet scheidbaar. Dit betekent dat het voorvoegsel dan altijd aan het werkwoord vast blijft.

Praktische Tips voor Gebruik

  • In een hoofdzin staat het vervoegde werkwoord meestal meteen na het onderwerp, en het voorvoegsel staat apart aan het einde van de zin: "Ik ruim mijn bureau op."
  • In samengestelde tijden (perfectum) klinkt het voorvoegsel vast aan het woord met ge- ertussen: "Ik heb mijn bureau opgeruimd."
  • Let op de volgorde van woorden, vooral wanneer er meer zinsdelen zijn.

Verschillen tussen de instructietaal en het Nederlands

Aangezien zowel de instructietaal als de te leren taal Nederlands zijn, zijn er weinig taalkundige verschillen om op te merken. Echter, soms verschillen dialecten of regio’s in uitspraak en woordgebruik. Voorbeelden van woorden die in algemeen Nederlands gebruikt worden, zijn:

  • werken bij (to work at) in plaats van bijvoorbeeld regionale alternatieven.
  • sollicitatie (job application), een belangrijk woord tijdens contexten zoals sollicitaties.
In deze les zijn de voorbeelden vooral gericht op praktische situaties in een werkcontext, wat de relevantie verhoogt.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

dinsdag, 26/08/2025 07:08