'Zijn', 'gaan', 'hebben', 'zullen' zijn veelgebruikte onregelmatige werkwoorden.
- 'Zijn' en 'hebben' zijn de meest gebruikte hulpwerkwoorden.
- 'Gaan' wordt gebruikt voor toekomstige acties met een infinitief.
- 'Zullen' drukt een belofte, voorstel of toekomst uit.
| Werkwoord | Ik | Jij/u | Hij/zij/het | Wij/jullie/zij |
|---|---|---|---|---|
| Zijn | ben | bent | is | zijn |
| Hebben | heb | hebt | heeft | hebben |
| Gaan | ga | gaat | gaat | gaan |
| Zullen | zal | zal | zal | zullen |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Ik ___ vandaag ziek; mijn hoofd en mijn buik doen pijn.
2. Jij ___ koorts en een pijnlijke rug; je gaat naar huis.
3. U ___ straks naar de fysiotherapeut voor uw nek en uw schouder.
4. Morgen ___ ik bellen om te vragen hoe het met uw rug en uw been is.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste werkwoord (zijn, hebben, gaan, zullen) en de correcte persoonsvorm.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJullie zullen later een e-mail naar HR schrijven.
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Speel in tweetallen een kort gesprek: één collega is ziek, één helpt.
- Wat voel je precies aan je lichaam?
- Welke lichaamsdelen doen pijn en sinds wanneer? (bijvoorbeeld rug, buik, hoofd)
- Ik ben niet fit; mijn hoofd doet pijn.
- Ik heb pijn aan mijn rug en mijn nek.
- Zal ik de bedrijfsarts bellen of ga je naar huis?
- ik ben / jij bent
- ik heb / jij hebt pijn aan