Lessen

Veel gebruikte onregelmatige werkwoorden

Haal je boek

'Zijn', 'gaan', 'hebben', 'zullen' zijn veelgebruikte onregelmatige werkwoorden.

1. Waarvoor gebruik je zijn, hebben, gaan en zullen?

  • zijn = een toestand of beschrijving
    • Je gezondheid, gevoelens, functie, plaats.
    • Bijvoorbeeld: ik ben ziek, hij is thuis.
  • hebben = je bezit of je hebt ergens last van
    • Spullen, werk, klachten, pijn.
    • Bijvoorbeeld: ik heb koorts, wij hebben een afspraak.
  • gaan + infinitief = een plan voor de nabije toekomst
    • Iets wat je binnenkort gaat doen.
    • Bijvoorbeeld: ik ga morgen naar de bedrijfsarts.
  • zullen + infinitief = belofte, voorstel of toekomst
    • Belofte: ik zal u morgen bellen.
    • Voorstel: zullen we een afspraak maken?
    • Toekomst: wij zullen volgende week praten.

2. De vormen: snel overzicht

Persoon Zijn Hebben Gaan Zullen
ik ben heb ga zal
jij / je / u bent hebt / u heeft gaat zal
hij / zij / het is heeft gaat zal
wij / jullie / zij zijn hebben gaan zullen

Let op: bij jij in een vraag kan de -t wegvallen: Ben jij…?, Heb jij…?

3. Zijn of hebben bij klachten: handige vuistregel

  • Gebruik zijn voor je algemene toestand.
    • Ik ben ziek.
    • Hij is niet fit.
  • Gebruik hebben bij concrete klachten.
    • Ik heb koorts.
    • Zij heeft pijn aan haar rug.

Denk: Ben ik …? (toestand) of Heb ik …? (iets, een klacht).

4. Gaan + infinitief: plannen voor binnenkort

  • Structuur: persoon + gaan + infinitief.
    • Ik ga morgen werken.
    • Wij gaan straks bellen.
  • Je drukt een afspraak of concreet plan uit.
    • Ik ga vrijdag naar het ziekenhuis.
    • Na de lunch gaan we een korte wandeling maken.

Zelfcheck: Kun je er “binnenkort” bij denken? Dan is gaan + infinitief vaak goed.

5. Zullen + infinitief: belofte, voorstel, neutrale toekomst

  • Belofte
    • Ik zal u morgen mailen.
    • We zullen op tijd zijn.
  • Voorstel / samen beslissen
    • Zullen we een pauze nemen?
    • Zullen we de afspraak verzetten?
  • Toekomst (iets wat later gebeurt, wat minder concreet is dan een plan nu)
    • Volgende maand zullen we het contract bespreken.

Tip: bij een vraag als voorstel gebruik je bijna altijd “zullen we … ?”

6. Zinnen bouwen: waar staat het werkwoord?

  • Gewone zin (mededeling)
    • Volgorde: persoon – persoonsvorm – (rest) – infinitief.
    • Wij zullen morgen naar het ziekenhuis gaan.
    • Ik ga straks de bedrijfsarts bellen.
  • Vraagzin met vraagwoord (wanneer, waarom, waar…)
    • Volgorde: vraagwoord – persoonsvorm – persoon – (rest) – infinitief.
    • Wanneer gaat u naar de fysiotherapeut gaan? → beter: Wanneer gaat u naar de fysiotherapeut?
  • Ja/nee-vraag
    • Volgorde: persoonsvorm – persoon – (rest) – infinitief.
    • Ben jij vandaag naar de fysiotherapeut geweest?
    • Zullen we een afspraak maken?

Onthoud: in de tegenwoordige tijd staat er in het Nederlands maar één vervoegd werkwoord vooraan. Andere werkwoorden staan achteraan in de zin als infinitief.

7. Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Verkeerde keuze tussen zijn / hebben
    • Ik heb ziek.Ik ben ziek.
    • Ik ben koorts.Ik heb koorts.
    • Controle: Kun je er in het Nederlands of je hoofd “iets” achter zetten? → ik heb iets (koorts, pijn, klachten) → gebruik hebben.
  • Persoonsvorm zonder -t
    • Jij ga naar de dokter.Jij gaat naar de dokter.
    • Hij heb pijn. → Hij heeft pijn.
    • Regel: bij jij, je, hij, zij, het krijg je in de tegenwoordige tijd bijna altijd een -t achter de stam.
  • Infinitief vergeten bij gaan / zullen
    • Wij gaan morgen.Wij gaan morgen naar de bedrijfsarts. (of: … morgen werken).
    • We zullen morgen.We zullen morgen bellen.
    • Denk: gaan / zullen vraagt bijna altijd nog een ander werkwoord in infinitief.

8. Zelfcheck: kan ik dit al?

  1. Ik kan bij een klacht kiezen tussen zijn en hebben.
    • → Zeg hardop: ik ben … / ik heb … voor drie eigen voorbeelden (bijv. moe, rugpijn, stress).
  2. Ik kan een plan maken met gaan + infinitief.
    • → Maak drie zinnen: Vandaag ga ik …, Morgen ga ik …, Volgende week ga ik ….
  3. Ik kan een belofte of voorstel maken met zullen + infinitief.
    • → Maak twee beloftes: Ik zal ….
    • → Maak twee voorstellen: Zullen we … ?
  4. Ik zet de persoonsvorm op de juiste plek in de zin.
    • → Maak één gewone zin, één ja/nee-vraag en één vraag met een vraagwoord over jouw werk of gezondheid.

Kun je dit allemaal? Dan ben je klaar om deze werkwoorden actief in gesprekken te gebruiken.

  1. 'Zijn' en 'hebben' zijn de meest gebruikte hulpwerkwoorden.
  2. 'Gaan' wordt gebruikt voor toekomstige acties met een infinitief.
  3. 'Zullen' drukt een belofte, voorstel of toekomst uit.
WerkwoordIkJij/uHij/zij/hetWij/jullie/zij
Zijnbenbentiszijn
Hebbenhebhebtheefthebben
Gaangagaatgaatgaan
Zullenzalzalzalzullen

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Gratis NL

Audio voorbereiden…

NL + NL

Audio voorbereiden…

1. Ik ___ vandaag ziek; mijn hoofd en mijn buik doen pijn. Ik ben vandaag ziek; mijn hoofd en mijn buik doen pijn.


2. Jij ___ koorts en een pijnlijke rug; je gaat naar huis. Jij hebt koorts en een pijnlijke rug; je gaat naar huis.


3. U ___ straks naar de fysiotherapeut voor uw nek en uw schouder. U gaat straks naar de fysiotherapeut voor uw nek en uw schouder.


4. Morgen ___ ik bellen om te vragen hoe het met uw rug en uw been is. Morgen zal ik bellen om te vragen hoe het met uw rug en uw been is.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste werkwoord (zijn, hebben, gaan, zullen) en de correcte persoonsvorm.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

  1. (zijn) Ik ziek.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ik ben ziek.
  2. (hebben) Jij koorts.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Jij hebt koorts.
  3. (gaan) Wij morgen naar de bedrijfsarts.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wij gaan morgen naar de bedrijfsarts.
  4. (gaan) Hij vanmiddag naar huis.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Hij gaat vanmiddag naar huis.
  5. (zullen) Jullie later een e-mail naar HR schrijven.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Jullie zullen later een e-mail naar HR schrijven.
  6. (zullen) U morgen weer op kantoor.
    ⇒ ____________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    U zult morgen weer op kantoor zijn.

Nederlands leren voor anderstaligen - Complete A1-cursus voor beginners

ISBN 979-13-88253-18-8

Deze app ondersteunt dit boek.

Amazon.nl

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

maandag, 07/09/2026 18:05