Het voltooid deelwoord eindigt bij zwakke werkwoorden op -d of -t en bij sterke werkwoorden op -en en met klankverandering.

1. Wat is een voltooid deelwoord ook alweer?

  • Een voltooid deelwoord gebruik je in het perfectum:
    ik heb gewerkt, ik ben gekomen.
  • Het staat bijna altijd achteraan in de zin.
  • Je vormt het van een werkwoord: werken → gewerkt, komen → gekomen.

2. Zwakke werkwoorden: ge- + stam + -d / -t

Bij zwakke werkwoorden is de vorm regelmatig.

  • Stappenplan voor het voltooid deelwoord:
    1. Neem de infinitief: werken.
    2. Maak de stam: werk-.
    3. Zet er ge- voor: gewerk-.
    4. Voeg -d of -t toe: gewerkt.

De vorm is dus:

  • ge- + stam + -d / -t

3. Wanneer -d en wanneer -t? ’t kofschip

De vraag is bijna altijd: schrijf ik -d of -t?

Gebruik de bekende regel ’t kofschip (of ’t fokschaap):

  • Medeklinkers in ’t kofschip: t, k, f, s, ch, p.
  • Kijk naar de laatste letter van de stam.
Laatste letter stam In ’t kofschip? Uitgang voltooid deelwoord Voorbeeld
k, f, s, t, ch, p Ja -t werk → gewerkt, maak → gemaakt
andere letter Nee -d reis → gereisd, plan → gepland

Let op: je kijkt naar de klank en de laatste letter van de stam, niet naar de hele infinitief.

4. Stap-voor-stap: zelf controleren (-d / -t)

  1. Neem de infinitief: mailen.
  2. Maak de stam: mail.
  3. Kijk naar de laatste letter van de stam: l.
  4. Staat die in ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p)? Nee.
  5. Je schrijft dus: -dgemaild.

Zelfde stappen bij bellen → stam bel → laatste letter l → geen kofschip → gebeld.

5. Sterke werkwoorden: vorm verandert

Bij sterke werkwoorden is de vorm onregelmatig. Je moet ze leren en onthouden.

  • Vaak verandert de klinker:
    • vinden → gevonden
    • helpen → geholpen
    • kijken → gekeken
  • Soms verandert ook een medeklinker:
    • denken → gedacht
    • brengen → gebracht
  • Veel sterke werkwoorden eindigen op -en in het voltooid deelwoord:
    • komen → gekomen
    • gaan → gegaan
    • schrijven → geschreven

Gebruik voor sterke werkwoorden altijd een werkwoordenlijst als je twijfelt.

6. Heel onregelmatig: zijn, hebben, doen

Een paar werkwoorden zijn zo onregelmatig dat je ze gewoon moet kennen:

  • zijn → geweest
    • Ik ben in Amsterdam geweest.
  • hebben → gehad
    • We hebben een drukke dag gehad.
  • doen → gedaan
    • Hij heeft de administratie gedaan.

7. Typische fouten en valkuilen

  • Dubbele d of t
    • gewerkttgewerkt
    • geplanndgepland
  • ’t kofschip verkeerd gebruiken
    • gereist (van reizen) → stam: reis, laatste letter: s (wel in ’t kofschip)… maar de vorm is gereisd (uitspraak speelt mee; deze moet je onthouden).
  • ge- vergeten
    • werkt in plaats van gewerkt in het perfectum.
  • Verwarring tussen sterke werkwoorden
    • ik heb gegaanik ben gegaan
    • ik heb gekomtik ben gekomen

8. ge- of geen ge-? (korte checklist)

Meestal krijgt het voltooid deelwoord ge- ervoor, maar niet altijd.

  • Wel ge- bij de meeste gewone werkwoorden:
    • werken → gewerkt
    • kijken → gekeken
  • Geen ge- bij veel werkwoorden met een on- of be-, ver-, ge-, her-, etc. ervoor:
    • bezoeken → bezocht (niet gebezocht)
    • ontvangen → ontvangen (niet geontvangen)
    • verzekeren → verzekerd

Als je twijfelt: kijk naar de lijst in je boek of woordenboek.

9. Met hebben of met zijn?

Het voltooid deelwoord komt altijd met een hulpwerkwoord:

  • hebben + voltooid deelwoord
    • voor de meeste werkwoorden: ik heb gewerkt, ik heb gereisd.
  • zijn + voltooid deelwoord
    • bij veel beweging: komen, gaan, lopen, vertrekken
    • bij verandering van toestand: worden → ik ben ziek geworden
    • bij zijn, blijven: ik ben gebleven, ik ben geweest.
Hulpwerkwoord Voorbeeld
hebben Ik heb de mail geschreven.
zijn Ik ben naar het museum gegaan.

10. Zelfcheck: begrijp je de regels?

Loop deze vragen rustig langs. Kun je ze voor jezelf beantwoorden?

  1. Kan ik in één zin uitleggen hoe ik een zwak voltooid deelwoord maak (ge- + stam + -d / -t)?
  2. Kan ik het rijtje van ’t kofschip opschrijven (t, k, f, s, ch, p) en ermee bepalen of ik -d of -t nodig heb?
  3. Weet ik dat sterke werkwoorden vaak op -en eindigen en een klinkerverandering hebben?
  4. Ken ik de drie veelgebruikte vormen geweest, gehad, gedaan?
  5. Kan ik meestal kiezen tussen hebben en zijn in het perfectum?

Als je bij een punt twijfelt, pak dan één of twee werkwoorden en maak zelf extra voorbeelden, bijvoorbeeld met je eigen werkdag of studie. Zo wordt de vorm automatisch.

  1. Bij zwakke werkwoorden: ge- + stam + -d/-t.
  2. 't kofschip bepaalt of je -t of -d schrijft bij zwakke werkwoorden.
  3. Sterke werkwoorden hebben géén vaste stam en ondergaan een klinkerverandering.
CategorieInfinitiefVoltooid deelwoord
Zwak (-t)

werken

maken

gewerkt

gemaakt

Zwak (-d)

reizen

plannen

gereisd

gepland

Sterk: -en 

komen

kijken

gekomen

gekeken

Sterk: klinkerverandering

vinden

helpen

gevonden

geholpen

Sterk: medeklinkerverandering

brengen

denken

gebracht

gedacht

Onregelmatig

zijn

hebben

doen

geweest

gehad

gedaan

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Wij hebben gisteren samen de plattegrond ___ en een route door de stad gepland.


2. Ik heb vandaag al drie uur door de binnenstad ___ en veel foto’s gemaakt.


3. We zijn met de taxi naar het hotel ___ en daarna naar het oude monument gelopen.


4. De gids heeft veel interessante verhalen over de kerk ___ en oude foto’s laten zien.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies in elk blok de correcte zin met het voltooid deelwoord volgens de regels voor sterke en zwakke werkwoorden.

1.
De dubbele t is fout; het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden eindigt op één -t.
Een extra d is fout; het voltooid deelwoord van 'werken' eindigt op -t.
2.
'gedaan' is het voltooid deelwoord van 'doen', niet van 'gaan'.
Een dubbele aa komt niet voor in het voltooid deelwoord van 'gaan'.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de voltooide tijd (perfectum) met het juiste voltooid deelwoord.

Toon/verberg hints
  1. Ik werk vandaag tot zes uur op kantoor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik heb vandaag tot zes uur op kantoor gewerkt.
  2. Wij maken elke maand een rapport voor de directeur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij hebben elke maand een rapport voor de directeur gemaakt.
  3. Gisteren reis ik met de trein naar Rotterdam.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Gisteren heb ik met de trein naar Rotterdam gereisd.
  4. De manager plant morgen een gesprek met mij.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De manager heeft morgen een gesprek met mij gepland.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertel elkaar wat jullie gisteren in de stad hebben gedaan en gezien.

Situatie
Je bezocht gisteren als toerist een Nederlandse stad met een collega.

Bespreek
  • Welke bezienswaardigheden hebben jullie bezocht en waarom?
  • Hoe zijn jullie door de stad gegaan: gelopen, met de taxi of met de plattegrond? Waarom?


Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik heb de kerk gefotografeerd.
  • We hebben een wandeling gemaakt.
  • Ik ben met de taxi gekomen.

Gebruik in gesprek
  • ik heb + voltooid deelwoord
  • ik ben + voltooid deelwoord (beweging)
  • voltooid deelwoord van sterke en zwakke werkwoorden

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 05:49