Een 'voorzetselgroep' geeft extra informatie zoals plaats of richting: op straat, bij de bakker, in de klas.
- Soms staat er een tweede werkwoord in de zin. Dit werkwoord staat meestal achteraan in de zin.
- Een voorzetselgroep is een zinsdeel dat begint met een voorzetsel.
- Een voorzetselgroep kan voor of na het tweede werkwoord staan.
| Plaats | Voorbeeld | Toelichting |
|---|---|---|
| 1e plaats | Piet | Onderwerp |
| 2e plaats | heeft | Persoonsvorm |
| 3e plaats | een banaan | Lijdend voorwerp |
| 4e plaats | gegeten | 2e werkwoord |
| 5e plaats | op het werk. | Voorzetselgroep |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Kunt u uw koffer ___ de stoel voor u leggen tijdens het opstijgen?
2. Ik wil graag online inchecken ___ mijn vlucht naar Madrid.
3. Tijdens de controle moet u uw laptop ___ de tas halen en in de bak leggen.
4. Alle passagiers voor vlucht KL123 moeten nu naar de gate ___ terminal 2 gaan.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de correcte zin met de juiste algemene zinsbouw volgens de vaste volgorde: onderwerp + persoonsvorm + tijd + lijdend voorwerp + plaats.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen. Gebruik een voorzetselgroep (bijvoorbeeld: op het werk, in de supermarkt, in de klas) en zet het tweede werkwoord achteraan in de zin.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk heb de e-mail op het werk gestuurd.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWij hebben de boodschappen in de supermarkt gedaan.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldHij heeft de presentatie in de vergaderzaal gegeven.
-
⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldZij heeft de kinderen in de buurt geholpen.
Oefening 4: Grammatica in actie
Instructie: Speel een rollenspel: jij passagier, partner medewerker van de luchthaven.
- Welke stappen doorloop je op de luchthaven en in welke volgorde?
- Wat controleert de medewerker bij de balie en bij de veiligheid? Noem plaatswoorden: bij…, op…, in….
- Ik sta bij de balie om mijn identiteitskaart te laten controleren.
- Ik wacht op de luchthaven bij de veiligheidscontrole.
- In het vliegtuig doe ik mijn veiligheidsgordel om.
- voorzetselgroep achteraan in de zin (bijvoorbeeld: op de luchthaven)
- zin met twee werkwoorden en voorzetselgroep (bijvoorbeeld: Ik moet mijn paspoort bij de balie laten zien.)