1. Taalonderdompeling
A2.4.1 Activiteit
Voorbereid op reis via Schiphol
3. Grammatica
A2.4.2 Grammatica
Algemene zinsbouw
A2.4.3 Grammatica
Voorzetselgroep
Belangrijk werkwoord
Volgen (volgen)
Belangrijk werkwoord
Weten (weten)
4. Oefeningen
Oefening 1: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
E-mail: Je krijgt een e-mail van een Nederlandse collega die samen met jou morgen vanaf Schiphol naar een conferentie vliegt; antwoord en geef informatie en stel een paar vragen terug.
Beste [naam],
Morgen vliegen we samen vanaf Schiphol naar Barcelona. Ik heb nog een paar vragen.
Heb jij al online ingecheckt of ga je bij de check-in balie? En hoe laat wil jij op de luchthaven zijn? Ik dacht om twee uur voor de vlucht.
Ik vind de veiligheidscontrole soms stressvol. Weet jij goed hoe het werkt met laptop en vloeistoffen?
Laat je het even weten?
Groet,
Marieke
Beste [naam],
Morgen vliegen we samen vanaf Schiphol naar Barcelona. Ik heb nog een paar vragen.
Heb jij al online ingecheckt of ga je naar de check-inbalie? En hoe laat wil jij op de luchthaven zijn? Ik dacht ongeveer twee uur voor de vlucht.
Ik vind de veiligheidscontrole soms stressvol. Weet jij precies hoe het werkt met laptop en vloeistoffen?
Laat je het even weten?
Groet,
Marieke
Begrijp de tekst:
-
Waarom schrijft Marieke deze e-mail aan jou?
-
Wat wil Marieke precies weten over jouw plannen op de luchthaven?
Nuttige zinnen:
-
Bedankt voor je e-mail.
-
Ik heb al online ingecheckt en...
-
Ik wil graag om ... uur op Schiphol zijn, want...
Bedankt voor je e-mail. Ik heb al online ingecheckt, dus ik hoef niet meer naar de check-in balie. Ik wil om 10.30 uur op Schiphol zijn, dan hebben we genoeg tijd.
Bij de veiligheidscontrole haal ik altijd mijn laptop uit de tas. Vloeistoffen doe ik in een kleine doorzichtige plastic zak. Dat werkt tot nu toe goed en snel.
Laat je nog even weten waar we afspreken in de terminal?
Groet,
[je naam]
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Bij de balie ___ ik mijn paspoort laten controleren en de instructies van de medewerker gevolgd.
2. Ik ___ nu precies welke terminal ik moet volgen voor mijn vlucht naar Amsterdam.
3. Na het inchecken ___ ik de borden naar de veiligheidscontrole gevolgd.
4. In het vliegtuig ___ ik dat ik altijd mijn veiligheidsgordel moet omdoen tijdens het opstijgen en landen.
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 4: Discussievragen
Instructie: Beantwoord de vragen met het vocabulaire uit dit hoofdstuk.
-
U heeft morgen vroeg een vlucht naar Madrid vanaf Schiphol. Hoe bereidt u zich voor en welke documenten en spullen neemt u mee naar de luchthaven?
__________________________________________________________________________________________________________
-
U staat bij de incheckbalie en er is een probleem met uw ticket. Wat zegt u tegen de medewerker om duidelijk uitleg en hulp te krijgen?
__________________________________________________________________________________________________________
-
U moet door de beveiligingscontrole, maar u weet niet zeker welke spullen uit uw tas moeten. Hoe vraagt u aan een medewerker wat u precies moet doen?
__________________________________________________________________________________________________________
-
In het vliegtuig hoort u de veiligheidsinstructies, maar u begrijpt iets niet. Wat vraagt u aan de stewardess of piloot om het nog eens uit te leggen?
__________________________________________________________________________________________________________
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 5 tot 8 zinnen over hoe jij meestal een vlucht voorbereidt en wat je op de luchthaven doet voordat je in het vliegtuig gaat zitten.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik bereid mijn reis zo voor: … / Op de luchthaven doe ik eerst … / Ik vind online inchecken (niet) handig, omdat … / Voor de veiligheid in het vliegtuig let ik op …
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf met behulp van de afbeeldingen wat je op de luchthaven en in het vliegtuig moet doen. (Met behulp van de foto's beschrijf wat je moet doen op het vliegveld en in het vliegtuig.)
- Vind je het leuk om te vliegen? Waarom wel of niet? (Hou je van vliegen? Waarom of waarom niet?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
|
Je moet je ticket bij de incheckbalie halen. |
|
Het is noodzakelijk om de veiligheidscontrole te doorlopen. |
|
In het vliegtuig moet je je veiligheidsgordel gebruiken. |
|
Ik hou er niet van om te vliegen omdat de veiligheidscontrole altijd zo lang duurt. |
|
Ik ga graag met het vliegtuig omdat het zo snel is. |
|
Ik houd niet van de vliegtuigstoelen. Ze zijn niet comfortabel. |
|
De steward laat de veiligheidsinstructies zien. |
| ... |