Voorzetsels van tijd geven een tijdstip of periode aan, zoals 'om zeven uur', 'in een uur', 'vanaf negen uur'.

1. Waar gaat dit over?

  • In dit hoofdstuk leer je tijd aangeven met voorzetsels.
  • Je ziet vooral: in, voor, na, om, op, over, vanaf, tot, tussen, sinds, tijdens.
  • Belangrijk: je zegt anders wanneer precies (tijdstip / dag) dan hoelang of vanaf wanneer (periode).

2. Eerst de twee belangrijkste: om en op

  • om + exacte tijd
    • Gebruik bij een kloktijd:
      • Ik begin om 8.30 uur.
      • De vergadering is om 15.00 uur.
    • Nooit: op 8 uur, in 8 uur als je het tijdstip bedoelt.
  • op + dag / datum
    • Gebruik bij een dag of kalenderdatum:
      • Ik werk op maandag thuis.
      • De afspraak is op 15 april.
    • Ook bij combinaties:
      • We eten samen op vrijdagavond.
    • Nooit: om maandag, in maandag.
Wat wil je zeggen? Gebruik Voorbeeld
Exact tijdstip om + tijd We starten om 9.00 uur.
Dag / datum op + dag / datum De training is op dinsdag.

Zelfcheck: Kun jij nu jouw werktijd van vandaag opschrijven met om en jouw eerstvolgende werkdag met op?

3. in, over en voor: periodes rondom nu

  • in + maand / seizoen / jaar / lange periode
    • Voor een maand, seizoen of jaar:
      • We hebben vakantie in juli.
      • Ik begin met mijn nieuwe baan in 2025.
      • Het is rustig op kantoor in de zomer.
    • Ook vaak bij duur (hoe lang iets duurt):
      • Ik lees het rapport in een uur.
    • Let op: niet voor een exact moment:
      • De meeting is in 10 uur → De meeting is om 10 uur.
  • over + periode (toekomst vanaf nu)
    • Je zegt: na hoeveel tijd, vanaf nu:
      • We gaan over een week op vakantie. (= een week vanaf nu)
      • Ik ben over twee uur klaar.
    • Niet verwarren met om:
Fout Goed Betekenis
Ik ben in twee uur klaar. Ik ben over twee uur klaar. klaar, twee uur vanaf nu
De les start over 9 uur. De les start om 9 uur. starttijd, exacte kloktijd
  • voor + moment (in deze context: tijd)
    • Je zegt: eerder dan iets:
      • Ik kook voor het journaal.
      • We willen afronden voor de lunch.

Zelfcheck: Kun je in één zin zeggen wanneer je vandaag klaar bent met werken, met over?

4. na en tijdens: wat gebeurt er wanneer?

  • na + moment
    • Je zegt: er komt iets erna:
      • Ik ga sporten na het werk.
      • We bellen na de vergadering.
  • tijdens + periode / activiteit
    • Je zegt: iets gebeurt binnen een andere activiteit:
      • We praten tijdens de lunch.
      • Ik maak aantekeningen tijdens de presentatie.
    • Niet: tijdens 8 uur als exacte tijd. Gebruik dan om.
Betekenis Gebruik Voorbeeld
iets gebeurt erna na + moment Ik mail je na de afspraak.
iets gebeurt binnen tijdens + activiteit Ik eet snel tijdens de meeting.

Tip: Kun je "binnen iets" denken? → gebruik vaak tijdens. Gaat het erna? → na.

5. vanaf, tot en tussen: begin, einde, grens

  • vanaf = het begin
    • Je zegt: het begint dan:
      • De winkel is vanaf 9 uur open.
      • Ik werk vanaf morgen weer op kantoor.
  • tot = het einde
    • Je zegt: het stopt dan:
      • Ik werk tot 17.00 uur.
      • Je mag tot zeven uur buiten spelen.
  • vanaf … tot … = een hele periode
    • Combineer begin + einde:
      • De supermarkt is vanaf 9 uur open tot 18 uur.
  • tussen … en … = grenzen (binnen dat tijdvak)
    • Je zegt: ergens binnen deze twee tijden:
      • De winkel sluit tussen 12 en 13 uur.
      • Bel me tussen 14.00 en 15.00 uur.
Type Voorzetsel Voorbeeld
Begin vanaf Ik ben bereikbaar vanaf 10 uur.
Einde tot Ik ben op kantoor tot 16 uur.
Tijdsblok tussen … en … De kinderen spelen tussen 15.00 en 16.00 uur buiten.

Zelfcheck: Kun je jouw werktijd van vandaag omschrijven met vanaf / tot of tussen?

6. sinds: vanaf een moment in het verleden

  • sinds + tijdstip in het verleden
    • Je zegt: het begon toen en het duurt nog:
      • Ik werk sinds 2020 bij dit bedrijf.
      • Wij kennen elkaar sinds de basisschool.
    • Vergelijk:
      • vanaf morgen → begin in de toekomst.
      • sinds 2020 → begin in het verleden, nog steeds waar.

7. Veelgemaakte fouten en snelle oplossingen

  • Dag of tijd door elkaar halen
    • Ik werk om maandag. → Ik werk op maandag.
    • De les begint in 9 uur. → De les begint om 9 uur.
  • Over vs. in bij toekomst
    • over = vanaf nu gezien:
      • Ik vertrek over een uur. (een uur vanaf nu)
    • in = maand / jaar / langere periode:
      • Ik vertrek in juli. (ergens in die maand)
  • Na vs. tijdens
    • Na = erna: Ik bel je na de vergadering.
    • Tijdens = binnen: Ik eet een snack tijdens de vergadering.

8. Stappenplan: kies het juiste voorzetsel

  1. Stap 1 – Wat wil je precies zeggen?
    • Exacte tijd? Dag? Datum? Periode? Begin? Einde?
  2. Stap 2 – Kies uit deze tabel
Vraag Voorzetsel Voorbeeld
Exacte kloktijd? om De call is om 14.30 uur.
Dag of datum? op We zien elkaar op vrijdag.
Maand, seizoen, jaar? in Ik verhuis in oktober.
Hoeveel tijd vanaf nu? over Ik ben klaar over een halfuur.
Eerder dan iets? voor Ik ga weg voor de lunch.
Erna? na Ik bel je na de lunch.
Begin van een periode? vanaf Ik ben bereikbaar vanaf 10 uur.
Einde van een periode? tot Ik blijf tot vrijdag.
Binnen twee tijden? tussen … en … Kom tussen 9 en 10 uur.
Begon in het verleden en duurt nog? sinds Ik woon hier sinds 2018.
Tijdens een andere activiteit? tijdens Ik lees mails tijdens het ontbijt.
  1. Stap 3 – Controleer jezelf
    • Heb ik een tijdstip? → moet er om of op staan?
    • Heb ik een periode? → staat er in / over / vanaf / tot / tussen / sinds / tijdens?

9. Wat kun je nu?

  • Je kunt met om en op duidelijk maken wanneer precies.
  • Je kunt met in, over, voor, na relaties maken met het nu en met andere momenten.
  • Je kunt met vanaf, tot, tussen, sinds, tijdens periodes en grenzen in de tijd beschrijven.
  • Je kunt je eigen week kort plannen en uitleggen in het Nederlands.

Laatste tip: Schrijf je eigen weekschema in 5 zinnen. Gebruik in elke zin minstens één tijdvoorzetsel uit de tabel. Lees het hardop en controleer met het stappenplan.

  1. **Gebruik 'om' voor exacte tijdstippen.
  2. **Gebruik 'op' voor dagen en specifieke data.
VoorzetselVoorbeeld
InDe bus rijdt in een uur naar Amsterdam.
Voor
Na
We vertrekken voor het avondeten.
Na de les kom ik bij je langs.
OmIk sta om zeven uur op.
OpWij gaan op maandag sporten.
OverOver een maand gaan we op vakantie.
Vanaf
Tot
De winkel is vanaf 9 uur open.
Je mag tot zeven uur buiten spelen.
TussenDe winkel sluit tussen 12 en 13 uur.
SindsWij kennen elkaar sinds de basisschool.
Tijdens

Wij praten tijdens de lunch.

Uitzonderingen!

  1. Gebruik 'in' voor duur, niet voor een specifiek moment.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ik begin met werken ___ acht uur 's morgens.


2. Wij hebben elke maandag ___ tien uur een teamoverleg.


3. De winkel is ___ zaterdag vanaf negen uur open.


4. We gaan ___ een week op maandagavond naar de Nederlandse les.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste voorzetsel van tijd (in, voor, na, om, op, over, vanaf, tot, tussen, sinds, tijdens). Let op: gebruik 'om' voor een exact tijdstip en 'op' voor dagen/data.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (om) De trein vertrekt zeven uur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De trein vertrekt om zeven uur.
  2. Hint Hint (op) Wij eten maandag pizza.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij eten op maandag pizza.
  3. Hint Hint (over) Ik ben twee uur klaar met mijn werk.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik ben over twee uur klaar met mijn werk.
  4. Hint Hint (vanaf / tot) De supermarkt is 9 uur open 18 uur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De supermarkt is vanaf 9 uur open tot 18 uur.
  5. Hint Hint (tussen) De kinderen mogen 15.00 en 16.00 uur buitenspelen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De kinderen mogen tussen 15.00 en 16.00 uur buitenspelen.
  6. Hint Hint (tijdens) Wij drinken koffie de vergadering.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij drinken koffie tijdens de vergadering.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Vertel wanneer je werkt en vrij bent; maak samen een eenvoudig weekschema.

Situatie
Je bespreekt met een collega jullie werktijden en vrije dagen deze week.

Bespreek
  • Op welke dagen en dagdelen werk jij deze week?
  • Om hoe laat begin en eindigt jouw werkdag meestal?','Wat doe je 's avonds of in het weekend, en wanneer precies?','Wat moet je morgen of overmorgen doen, en op welk tijdstip?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik werk op maandag tot zes uur 's avonds.
  • We maken de planning voor vandaag en morgen om tien uur.
  • Ik sport meestal op zaterdagmiddag en soms op zondagavond.

Gebruik in gesprek
  • om + tijdstip
  • op + dag / datum
  • in / over + periode

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 19:26