1. Taalonderdompeling
A1.9.1 Activiteit
Werkschema in een ziekenhuis
3. Grammatica
A1.9.2 Grammatica
Voorzetsels van tijd (in, om, op, voor,...)
Belangrijk werkwoord
Beginnen (beginnen)
Belangrijk werkwoord
Eten (eten)
Belangrijk werkwoord
Maken (maken)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Rooster van een verpleegkundige
Woorden om te gebruiken: maakt, week, week, nachts, avonds, vrijdag, morgens, eet, zaterdag, avondeten, dinsdag, maandag, weekend, zondag, Vandaag, ochtends, begint
(Dienstrooster van een verpleegkundige)
Lisa werkt in een ziekenhuis in Rotterdam. Ze maakt elke een nieuw werkschema in de computer. Van tot en met werkt ze ’s op de afdeling interne geneeskunde. Ze om zeven uur en ze om twaalf uur lunch in de kantine met collega’s. Op werkt Lisa soms ’s op de spoedeisende hulp.
Op werkt Lisa meestal niet. Dan maakt ze thuis het met haar partner. is het . Lisa een schema voor volgende . Op donderdag heeft ze een cursus en werkt ze niet in het ziekenhuis. In het heeft ze deze keer nachtdienst. Dan werkt ze ’s van elf uur tot zeven uur ’s .
-
Op welke dagen werkt Lisa in de **ochtenden** in het ziekenhuis?
-
Wat doet Lisa meestal op zondag?
-
Wanneer werkt Lisa ’s nachts volgens het rooster in de tekst?
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Op maandag ___ ik om acht uur met mijn werk.
2. Wij ___ ’s avonds om zes uur samen met de kinderen.
3. Op woensdag ___ mijn collega in de ochtend de planning voor de week.
4. In het weekend ___ we meestal laat in de avond met vrienden.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je plant een werkafspraak met een collega. Je wilt samen koffie drinken en kort iets bespreken. Zeg op welke dag en in welk dagdeel je tijd hebt. (Gebruik: De ochtend, De middag, Ik heb tijd)
In de ochtend
Voorbeeld:
In de ochtend heb ik tijd op dinsdag of woensdag.
2. Je partner vraagt: "Wanneer maken we schoon in huis?" Zeg op welke dag en in welk deel van de dag je dat graag doet. (Gebruik: De zaterdag, De middag, schoonmaken)
Op zaterdag
Voorbeeld:
Op zaterdag maak ik het huis schoon in de middag.
3. Een collega vraagt: "Wanneer sport jij?" Vertel op welke dagen en in welke dagdelen jij sport. (Gebruik: Vandaag, Morgen, 's Avonds)
's Avonds
Voorbeeld:
's Avonds sport ik: vandaag en ook morgen.
4. Je plant een familiedag. Je stuurt een bericht in de familie-app en vertelt wanneer je komt en wat je dan ongeveer doet. (Gebruik: De zondag, De middag, De avond)
Op zondag
Voorbeeld:
Op zondag kom ik in de middag. In de avond ga ik weer naar huis.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jouw eigen week: op welke dagen werk je en wat doe je ’s ochtends, ’s middags of ’s avonds?
Nuttige uitdrukkingen:
Op maandag werk ik … / In het weekend … / ’s Morgens / ’s Middags / ’s Avonds … / Op deze dag heb ik vrij, dan …
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Noem de dag en het tijdstip. (Noem de dag en het tijdstip.)
- Beschrijf de activiteit van elke persoon. (Beschrijf de activiteit van elke persoon.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten