1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (20)

De dag

De dag Show

De dag Show

De ochtend

De ochtend Show

De ochtend Show

De middag

De middag Show

De middag Show

De avond

De avond Show

De avond Show

De nacht

De nacht Show

De nacht Show

Maandag

Maandag Show

Maandag Show

Dinsdag

Dinsdag Show

Dinsdag Show

Woensdag

Woensdag Show

Woensdag Show

Donderdag

Donderdag Show

Donderdag Show

Vrijdag

Vrijdag Show

Vrijdag Show

Zaterdag

Zaterdag Show

Zaterdag Show

Zondag

Zondag Show

Zondag Show

Vandaag

Vandaag Show

Vandaag Show

Morgen

Morgen Show

Morgen Show

Gisteren

Gisteren Show

Gisteren Show

's Morgens

's Morgens Show

's ochtends Show

's Middags

's Middags Show

's middags Show

's Avonds

's Avonds Show

's avonds Show

's Nachts

's Nachts Show

's nachts Show

Maken

Maken Show

Maken Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Beginnen (beginnen)

Belangrijk werkwoord

Eten (eten)

Belangrijk werkwoord

Maken (maken)

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Rooster van een verpleegkundige

Woorden om te gebruiken: maakt, week, week, nachts, avonds, vrijdag, morgens, eet, zaterdag, avondeten, dinsdag, maandag, weekend, zondag, Vandaag, ochtends, begint

(Dienstrooster van een verpleegkundige)

Lisa werkt in een ziekenhuis in Rotterdam. Ze maakt elke een nieuw werkschema in de computer. Van tot en met werkt ze ’s op de afdeling interne geneeskunde. Ze om zeven uur en ze om twaalf uur lunch in de kantine met collega’s. Op werkt Lisa soms ’s op de spoedeisende hulp.

Op werkt Lisa meestal niet. Dan maakt ze thuis het met haar partner. is het . Lisa een schema voor volgende . Op donderdag heeft ze een cursus en werkt ze niet in het ziekenhuis. In het heeft ze deze keer nachtdienst. Dan werkt ze ’s van elf uur tot zeven uur ’s .

  1. Op welke dagen werkt Lisa in de **ochtenden** in het ziekenhuis?

  2. Wat doet Lisa meestal op zondag?

  3. Wanneer werkt Lisa ’s nachts volgens het rooster in de tekst?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Op maandagmorgen begin ik om acht uur met werken.
Op woensdagavond maak ik samen met mijn kinderen huiswerk.
Zaterdagmiddag eten we om één uur met vrienden.
Op zondagavond maak ik een planning voor de week.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Op maandag ___ ik om acht uur met mijn werk.


2. Wij ___ ’s avonds om zes uur samen met de kinderen.


3. Op woensdag ___ mijn collega in de ochtend de planning voor de week.


4. In het weekend ___ we meestal laat in de avond met vrienden.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je plant een werkafspraak met een collega. Je wilt samen koffie drinken en kort iets bespreken. Zeg op welke dag en in welk dagdeel je tijd hebt. (Gebruik: De ochtend, De middag, Ik heb tijd)

In de ochtend    

Voorbeeld:

In de ochtend heb ik tijd op dinsdag of woensdag.

2. Je partner vraagt: "Wanneer maken we schoon in huis?" Zeg op welke dag en in welk deel van de dag je dat graag doet. (Gebruik: De zaterdag, De middag, schoonmaken)

Op zaterdag    

Voorbeeld:

Op zaterdag maak ik het huis schoon in de middag.

3. Een collega vraagt: "Wanneer sport jij?" Vertel op welke dagen en in welke dagdelen jij sport. (Gebruik: Vandaag, Morgen, 's Avonds)

's Avonds    

Voorbeeld:

's Avonds sport ik: vandaag en ook morgen.

4. Je plant een familiedag. Je stuurt een bericht in de familie-app en vertelt wanneer je komt en wat je dan ongeveer doet. (Gebruik: De zondag, De middag, De avond)

Op zondag    

Voorbeeld:

Op zondag kom ik in de middag. In de avond ga ik weer naar huis.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jouw eigen week: op welke dagen werk je en wat doe je ’s ochtends, ’s middags of ’s avonds?

Nuttige uitdrukkingen:

Op maandag werk ik … / In het weekend … / ’s Morgens / ’s Middags / ’s Avonds … / Op deze dag heb ik vrij, dan …

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Noem de dag en het tijdstip. (Noem de dag en het tijdstip.)
  2. Beschrijf de activiteit van elke persoon. (Beschrijf de activiteit van elke persoon.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Het is woensdagochtend.

Het is zaterdagavond.

Het is dinsdagmiddag.

Op donderdag studeert Maria 's ochtends.

Op zaterdag maakt hij 's middags een taart.

Op vrijdag vieren de vrienden 's avonds.

...