Adjectieven: „den/die/das" + accusatief, „dem/der" + datief

Adjektive:„den/die/das" +Akkusativ, „dem/der"


Verwendung von Adjektiven nach bestimmten, unbestimmten oder ohne Artikel, z.B. „blau, wichtig, schnell, alt".

(Gebruik van bijvoeglijke naamwoorden na bepaalde, onbepaalde of zonder lidwoorden, bijv. „blau, wichtig, schnell, alt".)

1) Wat je hier leert: het lidwoord bepaalt de naamval (en dus de adjectiefuitgang)

In deze zinnen zie je vooral Akkusativ (lijdend voorwerp) en Dativ (meewerkend voorwerp).

  • Het lidwoord (den/die/das, dem/der) laat zien: Akkusativ of Dativ.
  • Het bijvoeglijk naamwoord krijgt daarna de juiste uitgang.
  • Zonder lidwoord moet het adjectief extra informatie geven (dus vaak een “sterkere” uitgang).

2) Stap-voor-stap: zo kies je snel de juiste vorm

  1. Vraag: wat is de rol?
    • Akkusativ: wat/wie wordt gecontroleerd/gevonden/geboekt? (direct object)
    • Dativ: aan wie/voor wie/help ik? (indirect object)
  2. Kijk naar het lidwoord (dat geeft de naamval al weg).
  3. Zet de adjectiefuitgang: na der/dem/den/das/die is dat op A2 in deze context bijna altijd -en of -e (zie spiekbrief hieronder).

3) Spiekbrief: de uitgangen in deze les (met bepaald lidwoord)

Context Voorbeeldpatroon Adjectief
Akkusativ mannelijk den -en (den neuen Reisepass)
Akkusativ vrouwelijk die -e (die wichtige Sicherheitskontrolle)
Akkusativ onzijdig das -e (das bequeme Flugzeug)
Dativ mannelijk dem -en (dem freundlichen Mitarbeiter)
Dativ vrouwelijk der -en (der freundlichen Passagierin)

Praktisch geheugensteuntje: Dativ → adjectief heel vaak -en.

4) Zonder lidwoord (meervoud): het adjectief neemt de “signaalfunctie” over

Als er geen lidwoord staat, moet je sterker markeren.

  • Dativ meervoud zonder lidwoord → adjectief meestal -en.
Correct Er hilft kleinen Kindern am Flughafen.
Typische fout Er hilft kleine Kindern am Flughafen.

5) Snelle zelfcheck: herken je Akkusativ vs. Dativ in het Duits?

  • Akkusativ bij: kontrollieren, buchen, finden

    Voorbeeld: Ich kontrolliere den neuen Reisepass.

  • Dativ bij: helfen (altijd datief), en vaak bij zeigen met persoon

    Voorbeeld: Ich zeige dem freundlichen Mitarbeiter die Unterlagen.

6) Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Fout 1: den ↔ dem verwarren

    Akkusativ (direct object): Ich kontrolliere den neuen Reisepass.
    Dativ (aan iemand): Ich gebe dem freundlichen Mitarbeiter das Ticket.

  • Fout 2: na datief toch -e zetten

    dem freundliche Mitarbeiterdem freundlichen Mitarbeiter

  • Fout 3: “zu der” niet herkennen als datief

    zur = zu der (datief) → zur schnellen Sicherheitskontrolle

7) Mini-checklist voor tijdens spreken

  1. Werkwoord checken: helpt het woord automatisch met datief? (helfen → datief)
  2. Wie krijgt iets? (persoon = vaak datief) vs. wat doe je? (ding = vaak accusatief)
  3. Zie je dem/der/den/die/das? Zet daarna bijna automatisch -en of -e volgens de spiekbrief.
  1. Het lidwoord laat de naamval zien (accusatief of datief).
  2. Het bijvoeglijk naamwoord volgt op het lidwoord en krijgt de passende uitgang.
  3. Zonder lidwoord moet het bijvoeglijk naamwoord het „werk“ doen en de uitgang duidelijk laten zien.
Artikel & Fall (Lidwoord & naamval)Beispiel (Voorbeeld)
den + AkkusativIch kontrolliere den neuen Reisepass. (Ik controleer het nieuwe paspoort.)
die + AkkusativSie zeigt die wichtige Sicherheitskontrolle. (Zij wijst de belangrijke veiligheidscontrole aan.)
das + AkkusativWir buchen das bequeme Flugzeug. (Wij boeken het comfortabele vliegtuig.)
dem + DativIch zeige dem freundlichen Mitarbeiter die Unterlagen. (Ik laat de documenten aan de vriendelijke medewerker zien.)
der + DativWir helfen der freundlichen Passagierin. (Wij helpen de vriendelijke passagier.)
ohne Artikel + DativEr hilft kleinen Kindern am Flughafen. (Hij helpt kleine kinderen op de luchthaven.)

 

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Bitte zeigen Sie mir den ______ Reisepass.

Laat me alstublieft het ______ paspoort zien.

2. Ich habe die ______ Bordkarte auf dem Handy.

Ik heb de ______ instapkaart op mijn telefoon.

3. Wir geben dem ______ Mitarbeiter das Ticket.

We geven de ______ medewerker het ticket.

4. Ich helfe der ______ Passagierin bei der Sicherheitskontrolle.

Ik help de ______ passagiere bij de veiligheidscontrole.

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de grammaticaal correcte zin.

1.
Fout: Na het datief lidwoord »dem« moet het bijvoeglijk naamwoord de uitgang »-en« krijgen: dem freundlichen Mitarbeiter.
Fout: Hier staat de persoon in de datief (iemand iets laten zien), daarom niet »den«, maar »dem«.
2.
Fout: »Gate« is onzijdig, dus niet »den«; bovendien past het lidwoord niet bij het zelfstandig naamwoord (das richtige Gate).
Fout: De positie van het juiste antwoord varieert – hier is deze vorm correct (das richtige Gate), maar om te oefenen moet de leerling de juiste optie kiezen.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het passende lidwoord (accusatief of datief) en zet de juiste bijvoeglijke naamwoorduitgang neer.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (den + neu) Ich kontrolliere Reisepass.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich kontrolliere den neuen Reisepass.
    (Ik controleer het nieuwe paspoort.)
  2. Hint Hint (die + wichtig) Sie zeigt Sicherheitskontrolle.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sie zeigt die wichtige Sicherheitskontrolle.
    (Zij toont de belangrijke veiligheidscontrole.)
  3. Hint Hint (das + bequem) Wir buchen Flugzeug.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir buchen das bequeme Flugzeug.
    (Wij boeken het comfortabele vliegtuig.)
  4. Hint Hint (dem + freundlich) Ich zeige Mitarbeiter die Unterlagen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich zeige dem freundlichen Mitarbeiter die Unterlagen.
    (Ik toon de vriendelijke medewerker de documenten.)

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Speelt medewerker en passagier: lost een probleem op vóór de vlucht.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Am Flughafen hilft ein Mitarbeiter dir vor dem Abflug beim Check-in.
(Op de luchthaven helpt een medewerker je vóór vertrek bij het inchecken.)

Bespreek
  • Welche Unterlagen kontrolliert der Mitarbeiter und warum? (Welke documenten controleert de medewerker, en waarom?)
  • Wem zeigst du den neuen Reisepass und das Ticket am Check-in? Beschreibe kurz das Gespräch. (Aan wie laat je het nieuwe paspoort en het ticket bij het inchecken zien? Beschrijf kort het gesprek.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich kontrolliere den neuen Reisepass. (Ik controleer het nieuwe paspoort.)
  • Ich gebe dem freundlichen Mitarbeiter das Ticket. (Ik geef de vriendelijke medewerker het ticket.)
  • Die wichtige Sicherheitskontrolle dauert länger. (De belangrijke veiligheidscontrole duurt langer.)

Gebruik in gesprek
  • den/die/das + Adjektiv im Akkusativ (de/het + bijvoeglijk naamwoord in de accusatief)
  • dem/der + Adjektiv im Dativ (de/het + bijvoeglijk naamwoord in de datief)
  • ohne Artikel + Adjektiv im Dativ (zonder lidwoord + bijvoeglijk naamwoord in de datief)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Louis Fernando Hess

Bachelor of Science - Interculturele Business Psychologie

Hamm-Lippstadt University of Applied Sciences

University_Logo

Duitsland


Laatst bijgewerkt:

zondag, 19/04/2026 09:58