Leer het verschil tussen 'mögen' en 'gefallen' kennen: 'Ich mag den Film' en 'Der Film gefällt mir' — beide uitingen van voorkeur maar met verschillende grammatica en gebruik.
  1. „Mögen“ gebruik je als je iets actief goed vindt of wilt.
  2. „Gefallen“ beschrijft hoe iets op je overkomt.
Merkmal (kenmerk)Wortart (woordsoort)Grammatik (Grammatica)Satzbau (Zinsopbouw)Sprachregister (Taalregister)
mögen Vollverb (volledig werkwoord)Subjekt = Person (Onderwerp = persoon)

Ich mag den Film.

Ich mag die blauen Schuhe

Neutral, alltäglich (Neutraal, alledaags)
gefallenVerb mit Dativ (Werkwoord met datief)Subjekt = Sache, Person im Dativ (Onderwerp = zaak, persoon in de datief)

Der Film gefällt mir.

Die blauen Schuhe gefallen mir.

Etwas formeller, höflicher (Iets formeel, beleefder)

Oefening 1: Gefallen oder Mögen?

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

gefallen, mag, gefällt, mögen

1.
Das neue weiße Sofa ... uns sehr.
(De nieuwe witte bank bevalt ons erg goed.)
2.
Gefallen dir die gelben Schuhe? – Nein, ich ... sie nicht.
(Vind je de gele schoenen leuk? – Nee, ik mag ze niet.)
3.
Ich ... die das lila Kleid.
(Ik vind die paarse jurk leuk.)
4.
Wir ... grüne Äpfel lieber als rote.
(Wij houden meer van groene appels dan van rode.)
5.
Die Farben Weiß und Grau ... ihnen – sie sind elegant.
(De kleuren wit en grijs bevallen hen – ze zijn elegant.)
6.
Magst du das grüne Fahrrad? – Nein, mir ... das schwarze besser.
(Vind je de groene fiets leuk? – Nee, ik vind de zwarte beter.)
7.
Die grauen Schuhe ... mir gut – ich nehme sie!
(De grijze schoenen bevallen me goed – ik neem ze!)
8.
Die Kinder ... buntes Eis am liebsten.
(De kinderen houden het meest van gekleurd ijs.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Mir ____ das grüne Hemd sehr gut.

(Mij ____ het groene overhemd heel goed.)

2. Dir ____ die bunten Socken nicht.

(Jou ____ de bonte sokken niet.)

3. Ihm ____ der schwarze Mantel nicht.

(Hem ____ de zwarte mantel niet.)

4. Uns ____ die gelben T-Shirts sehr.

(Ons ____ de gele T-shirts erg.)

5. Euch ____ die rote Tasche nicht.

(Jullie ____ de rode tas niet.)

6. Ihnen ____ die weißen Schuhe sehr gut.

(Hen ____ de witte schoenen heel goed.)

Gefallen oder Mögen? Begrijp het juiste gebruik in het Duits

In deze les ontdek je het verschil tussen de Duitse werkwoorden mögen en gefallen, die vaak beide worden vertaald als 'leuk vinden' of 'bevallen', maar grammaticaal en qua gebruik verschillen.

Wat leert deze les?

  • mögen: een volwaardig werkwoord dat vaak wordt gebruikt om te zeggen dat je iets actief leuk vindt of wilt.
  • gefallen: een werkwoord dat gebruikt wordt met de datief om uit te drukken hoe iets je bevalt of indruk maakt.
  • De juiste woordvolgorde en grammaticale structuren voor beide werkwoorden.
  • Verschillen in taalgebruik en register: mögen is neutraal en dagelijks, gefallen is iets formeler en beleefder.

Voorbeelden en zinsbouw

Bij mögen is het onderwerp de persoon die iets leuk vindt, en volgt gewoonlijk het lijdend voorwerp direct: Ich mag den Film. of Ich mag die blauen Schuhe.

Bij gefallen is het onderwerp wat iemand bevalt, en wordt de persoon die iets leuk vindt in de datief uitgedrukt: Der Film gefällt mir. of Die blauen Schuhe gefallen mir.

Grammaticale eigenschappen

  • mögen is een regulier werkwoord dat een persoon als onderwerp heeft.
  • gefallen werkt met de datief: de persoon die iets leuk vindt staat in de datief, en de zaak die bevalt is het onderwerp.
  • Dit beïnvloedt hoe je zinnen vormt en vervoegt.

Verschillen met het Nederlands

In het Nederlands gebruik je vaak het werkwoord "leuk vinden" zonder grammaticale complicaties, terwijl het Duits onderscheid maakt tussen mögen (actief leuk vinden) en gefallen (iets bevalt iemand, met datief). Het Nederlandse "bevallen" kan vergelijkbaar zijn met gefallen, maar dit wordt minder vaak als algemeen 'leuk vinden' gebruikt.

Handige woorden en zinnen:

  • Ich mag das Buch. - Ik vind het boek leuk.
  • Das Buch gefällt mir. - Het boek bevalt me.
  • Datiefvormen zoals mir, dir, ihm, uns, euch, ihnen zijn essentieel bij gefallen.

Let erop dat in het Duits de persoon die iets leuk vindt altijd grammaticaal zichtbaar is en soms moet worden vervoegd, bijvoorbeeld mir (aan mij), wat geen directe Nederlandse overeenkomst heeft maar essentieel is voor de betekenis.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 17/07/2025 23:56