1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (12)

Die Farbe

Die Farbe Show

De kleur Show

Gefallen

Gefallen Show

De smaak / het plezier Show

Mögen

Mögen Show

Leuk vinden Show

Blau

Blau Show

Blauw Show

Grau

Grau Show

Grijs Show

Grün

Grün Show

Groen Show

Gelb

Gelb Show

Geel Show

Orange

Orange Show

Oranje Show

Rosa

Rosa Show

Roze Show

Lila

Lila Show

Paars Show

Rot

Rot Show

Rood Show

Weiß

Weiß Show

Wit Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp van je vriendin Anna. Ze wil de woonkamer opnieuw schilderen en vraagt om jouw mening over de kleuren. Antwoord haar en schrijf welke kleuren je mooi vindt of niet mooi vindt.


Anna 🟡

Hey, wir streichen am Wochenende das Wohnzimmer.

Unsere Couch ist grau und der Teppich ist blau.

Welche Wandfarbe findest du gut?

Ich mag grün und gelb.
Mein Mann findet weiß besser. 😅

Welche Farbe gefällt dir?


Anna 🟡

Hey, we schilderen dit weekend de woonkamer.

Onze bank is grijs en het tapijt is blauw.

Welke kleur voor de muur vind jij mooi?

Ik houd van groen en geel.
Mijn man vindt wit beter. 😅

Welke kleur vind jij mooi?


Begrijp de tekst:

  1. Welche Farben mag Anna für die Wand und welche Farbe findet ihr Mann besser?

    (Welke kleuren vindt Anna leuk voor de muur en welke kleur vindt haar man beter?)

  2. Wie sind die Farben von Couch und Teppich im Wohnzimmer?

    (Welke kleuren hebben de bank en het tapijt in de woonkamer?)

Nuttige zinnen:

  1. mir gefällt …

    (mij bevalt …)

  2. ich mag …

    (ik vind …)

  3. … passt gut / nicht gut.

    (… past goed / niet goed.)

Hey Anna,

mir gefällt weiß sehr. Weiß passt gut zu einer grauen Couch und zu einem blauen Teppich. Gelb mag ich auch, aber nur ein kleines Stück Wand. Grün gefällt mir im Wohnzimmer nicht so.

Ich würde weiß nehmen.

Hey Anna,

ik vind wit erg mooi. Wit past goed bij een grijze bank en bij een blauw tapijt. Geel vind ik ook leuk, maar dan alleen een klein stukje muur. Groen vind ik in de woonkamer niet zo mooi.

Ik zou voor wit kiezen.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Mir gefällt das blaue Logo, aber das orange Logo mag ich nicht. (Ik vind het blauwe logo mooi, maar het oranje logo vind ik niet mooi.)
Die Wände im Büro sind grau, aber ich möchte sie gern grün streichen. (De muren op kantoor zijn grijs, maar ik zou ze graag groen verven.)
Ich mag das rote Firmenauto, weil die Farbe sehr auffällt. (Ik vind de rode bedrijfswagen mooi, omdat die kleur erg opvalt.)
Dir gefallen die weißen Visitenkarten, aber mir gefallen die grauen besser. (Jij vindt de witte visitekaartjes mooi, maar ik vind de grijze mooier.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich ___ das blaue Firmenlogo, aber mir gefällt das grüne Logo besser.

(Ik ___ het blauwe bedrijfslogo, maar het groene logo vind ik beter.)

2. Welche Farbe ___ Sie für das neue Büro?

(Welke kleur ___ u voor het nieuwe kantoor?)

3. Meine Kolleginnen ___ die grauen Laptops, aber mir gefallen die weißen Laptops.

(Mijn collega’s ___ de grijze laptops leuk, maar ik vind de witte laptops mooier.)

4. Wir ___ die roten Stühle im Besprechungsraum nicht.

(Wij ___ de rode stoelen in de vergaderruimte niet prettig.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Du bist im Büro. Dein Chef fragt: „Welche Farbe hat das neue Firmenauto?“ Antworte. (Verwende: die Farbe, Blau, schön)

(Je bent op kantoor. Je baas vraagt: „Welke kleur heeft de nieuwe bedrijfswagen?” Beantwoord. (Gebruik: die Farbe, Blau, schön))

Die Farbe ist  

(Die Farbe ist ...)

Voorbeeld:

Die Farbe ist Blau, ich finde sie schön.

(Die Farbe ist Blau, ich finde sie schön.)

2. Du bist in einem Möbelhaus in Deutschland. Du suchst einen Stuhl für dein Homeoffice und fragst die Verkäuferin nach einer bestimmten Farbe. (Verwende: Grau, das Büro, passen)

(Je bent in een meubelwinkel in Duitsland. Je zoekt een stoel voor je homeoffice en vraagt de verkoopster naar een bepaalde kleur. (Gebruik: Grau, das Büro, passen))

Ich möchte einen  

(Ich möchte einen ...)

Voorbeeld:

Ich möchte einen Stuhl in Grau, das passt gut in mein Büro.

(Ich möchte einen Stuhl in Grau, das passt goed in mein Büro.)

3. Du kaufst heute ein T‑Shirt in einem Laden. Die Verkäuferin fragt: „Welche Farbe mögen Sie?“ Antworte. (Verwende: Mögen, Grün, Lieblingsfarbe)

(Je koopt vandaag een T‑shirt in een winkel. De verkoopster vraagt: „Welke kleur vindt u leuk?” Beantwoord. (Gebruik: Mögen, Grün, Lieblingsfarbe))

Ich mag  

(Ich mag ...)

Voorbeeld:

Ich mag Grün, das ist meine Lieblingsfarbe.

(Ich mag Grün, das ist meine Lieblingsfarbe.)

4. Du richtest dein Wohnzimmer neu ein. Ein Freund fragt: „Gefällt dir die neue Wandfarbe?“ Antworte. (Verwende: Gefallen, Rot, sehr)

(Je richt je woonkamer opnieuw in. Een vriend vraagt: „Bevalt je de nieuwe muurverf?” Beantwoord. (Gebruik: Gefallen, Rot, sehr))

Die Farbe gefällt  

(Die Farbe gefällt ...)

Voorbeeld:

Die Farbe gefällt mir, Rot ist sehr schön im Wohnzimmer.

(Die Farbe gefällt mir, Rot ist sehr schön im Wohnzimmer.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jouw woonkamer of kantoor en beschrijf welke kleuren je mooi vindt of niet mooi vindt.

Nuttige uitdrukkingen:

Mein Lieblingsfarbe ist … / Mir gefällt … / Mir gefallen … / Ich mag … / Ich mag … nicht. / Im Wohnzimmer/Büro habe ich … in der Farbe …

Übung 7: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Beschreiben Sie die Farben der Kleidung. (Beschrijf de kleuren van de kleding.)
  2. Beschreibe die Haarfarbe jeder Person. (Beschrijf de haarkleur van elke persoon.)
  3. Beschreibe dein eigenes Aussehen. (Beschrijf je eigen uiterlijk.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Die Schuhe sind weiß.

De schoenen zijn wit.

Sie hat braune Haare.

Zij heeft bruin haar.

Die Frau trägt einen gelben Anzug.

De vrouw draagt een gele jurk.

Sie hat blonde Haare.

Zij heeft blond haar.

Ich trage eine lila Bluse.

Ik draag een paarse blouse.

Alice trägt schwarze Stiefel.

Alice draagt zwarte laarzen.

Sie trägt eine Jeans.

Zij draagt een spijkerbroek.

...