Ein Nomen ist ein Wort, das Menschen, Tiere, Dinge, Orte oder abstrakte Begriffe bezeichnet.

(Een zelfstandig naamwoord is een woord dat mensen, dieren, dingen, plaatsen of abstracte begrippen benoemt.)

Wat leer je in dit onderdeel?

  • Je herkent de belangrijkste meervoudsuitgangen in het Duits.
  • Je weet wanneer je welke uitgang meestal gebruikt.
  • Je let op Umlaut-veranderingen (a → ä, o → ö, u → ü).
  • Je weet wanneer er géén extra uitgang komt.
  • Je weet wat de typische valkuilen zijn voor Nederlandstaligen.

Belangrijk vooraf: leer het meervoud mee met het woord

Net als in het Nederlands is het meervoud vaak voorspelbaar, maar:

  • Er zijn veel uitzonderingen.
  • Er is vaak ook een Umlaut in het meervoud.

Advies: leer nieuwe woorden altijd zo:

  • Artikel + enkelvoud + meervoud
  • bijv. die Stadt – die Städte

Overzicht: de vijf belangrijkste soorten meervoud

Uitgang Typisch voor Voorbeeld
-(e)n meeste vrouwelijke woorden die Katze – die Katzen
-e meeste mannelijke woorden, vaak met Umlaut der Hut – die Hüte
-er veel korte onzijdige woorden, vaak met Umlaut das Wort – die Wörter
-s woorden op -a, -i, -o, -u, -y en veel leenwoorden das Auto – die Autos
geen uitgang veel woorden op -er, alle masc./neut. op -en der Lehrer – die Lehrer

1. Meervoud met -(e)n (vooral vrouwelijk)

Dit is de meest voorkomende meervoudsvorm.

  • Bijna alle vrouwelijke woorden krijgen -n of -en.
  • Als het woord al op -e eindigt → alleen -n.
Enkelvoud Meervoud
die Katze die Katzen
die Tür die Türen
die Familie die Familien

Let op bij -in (vrouwelijke beroepen/nationaliteiten):

  • het n wordt verdubbeld:
    die Studentin → die Studentinnen
  • fout: die Studentinen / die Studentins

Goed om te onthouden: bij -(e)n komt er géén Umlaut bij.

2. Meervoud met -e (vaak met Umlaut)

  • Veel mannelijke zelfstandige naamwoorden krijgen -e.
  • Vaak komt er een Umlaut op a, o of u.
Enkelvoud Meervoud
der Hut die Hüte
die Hand die Hände
die Stadt die Städte

Hier moet je het meervoud echt mee leren: je ziet niet altijd aan het enkelvoud of er een Umlaut komt.

3. Meervoud met -er (vaak kort, onzijdig)

  • Veel korte onzijdige woorden krijgen -er.
  • Ook hier vaak met Umlaut.
Enkelvoud Meervoud
das Wort die Wörter
das Land die Länder
das Buch die Bücher

Let op: bij -er komt er vaak Umlaut, maar niet altijd. Altijd het meervoud mee noteren.

4. Meervoud met -s (meestal makkelijk)

  • Woorden die eindigen op -a, -i, -o, -u, -y krijgen bijna altijd -s.
  • Veel leenwoorden (vaak uit het Engels) krijgen ook -s.
Enkelvoud Meervoud
das Auto die Autos
das Team die Teams
das Handy die Handys

Belangrijk: bij -s is er nooit Umlaut in het meervoud.

5. Meervoud zonder uitgang

  • Alle mannelijke en onzijdige woorden op -en blijven hetzelfde.
  • De meeste woorden op -er blijven ook hetzelfde.
Enkelvoud Meervoud
der Kuchen die Kuchen
der Lehrer die Lehrer
das Zimmer die Zimmer

Hier verandert alleen het lidwoord van enkelvoud naar meervoud:
der / das → die.

6. Umlaut of geen Umlaut?

Een Umlaut is de puntjes op de klinker: ä, ö, ü.

  • Vaak bij meervoud op -e of -er.
  • Vooral bij korte woorden met a, o, u.
Enkelvoud Meervoud
die Stadt die Städte
das Buch die Bücher
der Hut die Hüte

Nooit Umlaut bij meervoud met:

  • -(e)n (bijv. Katzen)
  • -s (bijv. Autos)

7. Typische valkuilen voor Nederlandstaligen

  • Nederlands -s ≠ Duits -s
    Het Nederlands gebruikt vaak -s (teams, collega’s). In het Duits kan dat een andere vorm zijn.
    Altijd de Duitse vorm checken.
  • Geen dubbele uitgang
    Fout: Familienn, Teamsen
    Goed: Familien, Teams.
  • -in in het meervoud
    Altijd -innen, niet -inen.
    die Kollegin – die Kolleginnen.
  • Artikel niet vergeten
    Enkelvoud: der / die / das
    Meervoud: altijd die.

8. Stappenplan: hoe bepaal je het meervoud?

  1. Kijk naar het geslacht (der, die, das).
    • Veel die (vr.) → meestal -(e)n.
    • Veel der (m.) → vaak -e (met Umlaut).
    • Veel das (onz.) → vaak -er (met Umlaut) of -s.
  2. Kijk naar de laatste letters van het woord.
    • einde op -a, -i, -o, -u, -y → meestal -s.
    • einde op -er of -en → vaak geen uitgang (bij der/das).
  3. Denk aan mogelijk Umlaut bij korte woorden met a, o, u en meervoud op -e of -er.
  4. Check in het woordenboek als je twijfelt en noteer het meervoud meteen.

9. Korte zelfcheck

Kun je de volgende vragen rustig en correct beantwoorden?

  • Welk type meervoud hebben deze woorden?
    • die Frau – die Frauen → -(e)n, geen Umlaut
    • der Freund – die Freunde → -e, geen Umlaut
    • das Kind – die Kinder → -er, geen Umlaut
    • das Hotel – die Hotels → -s
    • der Fahrer – die Fahrer → geen uitgang
  • Weet je bij welke uitgangen geen Umlaut komt? (antwoord: bij -(e)n en -s).
  • Weet je wat er gebeurt met woorden op -in? (antwoord: -innen).

Als je deze punten kunt uitleggen, heb je de basis van de Duitse meervoudsvormen onder controle en kun je in de les vooral oefenen met spreken en luisteren.

  1. Er zijn veel uitzonderingen in de Duitse meervoudsvorming, daarom is het belangrijk om de meervoudsvorm van het zelfstandig naamwoord meteen mee te leren.
EndungRegelBeispiel
-(e)nDie meisten femininen Nomen (De meeste vrouwelijke zelfstandige naamwoorden)

die Katze - die Katzen

die Tür - die Türen

-e

Die meisten maskulinen Nomen (oft mit Umlaut) (De meeste mannelijke zelfstandige naamwoorden (vaak met umlaut))

Viele einsilbige feminine Nomen (mit Umlaut) (Veel eenlettergrepige vrouwelijke zelfstandige naamwoorden (met umlaut))

der Hut - die Hüte

die Hand - die Hände

-er Viele einsilbige neutrale Nomen (oft mit Umlaut) (Veel eenlettergrepige onzijdige zelfstandige naamwoorden (vaak met umlaut))das Wort - die Wörter
-s

Nomen, die auf -a, -i, -o, -u oder -y enden (Zelfstandige naamwoorden die eindigen op -a, -i, -o, -u of -y)

Viele Wörter fremder Herkunft (Veel woorden van vreemde oorsprong)

das Auto - die Autos

das Team - die Teams

Ohne Endung (Zonder uitgang)

Alle maskulinen und Neutralen Wörter auf -en (Alle mannelijke en onzijdige woorden op -en)

Die meisten Nomen auf -er (De meeste zelfstandige naamwoorden op -er)

der Kuchen- die Kuchen

der Lehrer - die Lehrer

Uitzonderingen!

  1. Bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden met de uitgang „in” wordt de „n” verdubbeld -> die Studentin - die Studentinnen
    Als een zelfstandig naamwoord de uitgang -(e)n of -s krijgt, verandert de klinker nooit.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. In meiner Straße wohnen viele _____ aus Spanien, Italien und der Türkei.

In mijn straat wonen veel _____ uit Spanje, Italië en Turkije.)

2. In Berlin arbeiten viele _____ aus Frankreich und den Niederlanden.

In Berlijn werken veel _____ uit Frankrijk en Nederland.)

3. In unserer Firma gibt es drei _____: ein deutsches Team, ein spanisches Team und ein italienisches Team.

In ons bedrijf zijn er drie _____: een Duits team, een Spaans team en een Italiaans team.)

4. Ich komme aus Mexiko, aber meine Eltern leben in zwei verschiedenen _____ in Deutschland.

Ik kom uit Mexico, maar mijn ouders wonen in twee verschillende _____ in Duitsland.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Schrijf de zinnen in het meervoud. Let op de juiste meervoudsuitgang en het bepaalde lidwoord. Voorbeeld: De auto is nieuw. → De auto’s zijn nieuw.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Die Katze ist süß.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Katzen sind süß.
    (Die Katzen sind süß.)
  2. Der Hut ist teuer.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Hüte sind teuer.
    (Die Hüte sind teuer.)
  3. Hint Hint (Studentin) Die Studentin ist müde.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Studentinnen sind müde.
    (Die Studentinnen sind müde.)
  4. Hint Hint (Wort) Das Wort ist schwierig.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Wörter sind schwierig.
    (Die Wörter sind schwierig.)
  5. Der Lehrer ist nett.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Lehrer sind nett.
    (Die Lehrer sind nett.)
  6. Das Auto ist klein.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Autos sind klein.
    (Die Autos sind klein.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Werk in tweetallen: Stel jezelf voor en vertel waar je vandaan komt.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sie sind neu im Deutschkurs und lernen internationale Kolleginnen und Kollegen kennen.
(U bent nieuw in de Duitse cursus en maakt kennis met internationale collega’s.)

Bespreek
  • Woher kommen Sie? Nennen Sie das Land und die Stadt. (Waar komt u vandaan? Noem het land en de stad.)
  • In welchen Ländern oder Städten haben Sie schon gelebt? Erzählen Sie im Plural (z. B. Länder, Städte). (In welke landen of steden heeft u al gewoond? Vertel in meervoud (bijv. landen, steden).)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Woher kommen Sie? / Ich komme aus Spanien / der Türkei / der Schweiz. (Waar komt u vandaan? / Ik kom uit Spanje / Turkije / Zwitserland.)
  • Ich lebe in Berlin / München / Köln. / Ich habe in mehreren Städten gelebt. (Ik woon in Berlijn / München / Keulen. / Ik heb in meerdere steden gewoond.)
  • Aus welchen Ländern kommen Ihre Kolleginnen und Kollegen? Sie kommen aus Spanien, Frankreich, den Niederlanden. (Uit welke landen komen uw collega’s? Zij komen uit Spanje, Frankrijk, Nederland.)

Gebruik in gesprek
  • das Land → die Länder (het land → de landen)
  • die Stadt → die Städte (de stad → de steden)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 18:03