Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden - datief (dem, der, den)

Nomen und Artikel - Dativ (dem, der, den)


Der Dativ zeigt das indirekte Objekt eines Satzes – also wem etwas gegeben wird, wem etwas passiert oder wem etwas gehört.

(De datief geeft het indirecte object van een zin aan – dus aan wie iets gegeven wordt, wie iets overkomt of van wie iets is.)

Dativ: aan wie? (wem?)

De dativ gebruik je vaak voor de ontvanger: de persoon die iets krijgt, helpt of waarvoor/aan wie iets gebeurt.

  • Vraag in het Duits: wem? (= aan wie?)
  • Typisch bij: geben (geven), schicken (sturen), helfen (helpen), danken (bedanken)

Snel beslissen: is het dativ?

  1. Zoek het werkwoord: Was ist die Aktion? (geben/schicken/helfen…)
  2. Stel de vraag wem?
  3. Dat antwoord krijgt dativ (artikel of voornaamwoord)

Voorbeeld: Ich gebe dem Mann das Buch.

  • wem? dem Mann (ontvanger) → dativ
  • was? das Buch (ding) → vaak accusatief (hier niet de focus)

Artikelen in de dativ (mini-overzicht)

Genus / Numerus Bestimmt Unbestimmt Snelle check
maskulin dem einem der → dem
feminin der einer die → der
neutrum dem einem das → dem
plural den die → den

De valkuil: der = vrouwelijk dativ (niet mannelijk!)

In het Nederlands blijft het vaak gewoon “de”. In het Duits moet je in de dativ kiezen.

  • der = dativ van die (vrouwelijk)
  • dem = dativ van der / das (mannelijk / onzijdig)

Voorbeelden:

  • Ich schicke der Chefin eine E‑Mail. (aan wie? aan de chef)
  • Ich gebe dem Kollegen eine Karte. (aan wie? aan de collega)

Meervoud in de dativ: vaak extra -n

In de dativ meervoud krijg je meestal:

  • den + meervoud + n

Voorbeeld: Ich gebe den Kindern Schokolade.

  • Kinder → Kindern (extra -n)

Geen extra -n als het meervoud al eindigt op -n of -s:

  • die Kollegen → mit den Kollegen (blijft zo)
  • die E‑Mails → mit den E‑Mails (blijft zo)

Dativ-voornaamwoorden: sneller spreken

In gesprekken vervang je de persoon vaak door een dativ-voornaamwoord:

Persoon Dativ Voorbeeld
ik mir Er gibt mir das Dokument.
jij dir Ich schicke dir die Datei.
hij / het (persoon: collega/kind) ihm Wir helfen ihm.
zij (persoon) ihr Ich danke ihr.
wij uns Kannst du uns helfen?
jullie euch Ich gebe euch die Infos.
zij (meervoud) / u (formeel) ihnen / Ihnen Wir schicken Ihnen den Vertrag.

Zelfcheck: 3 vragen voor je verdergaat

  1. Kan ik bij de persoon wem? vragen?
  2. Heb ik het juiste dativ-artikel gekozen: dem / der / den?
  3. Is het meervoud? Dan: den + vaak -n op het zelfstandig naamwoord.

Als je deze drie checks doet, maak je in gesprekken al snel veel minder fouten met de dativ.

  1. In de datief vraag je naar "wem" .
  2. In het meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord in de datief een „-n”, behalve als het meervoud al op „-n” of „-s” eindigt.
Genus / Numerus (Geslacht / getal)Bestimmter Artikel  (Bepaald lidwoord )Unbestimmter Artikel  (Onbepaald lidwoord )Beispiel  (Voorbeeld )
Maskulin (Mannelijk)demeinemIch gebe dem (einem) Mann das Buch. (Ik geef de (een) man het boek.)
Feminin (Vrouwelijk)dereinerIch gebe der (einer) Frau den Schlüssel (Ik geef de (een) vrouw de sleutel.)
Neutrum (Onzijdig)demeinemIch gebe dem (einem) Kind das Spielzeug. (Ik geef het (een) kind het speelgoed.)
Plural (Meervoud)den– (kein Artikel) (– (geen lidwoord))Ich gebe (den) Kindern keinen Zucker. (Ik geef (de) kinderen geen suiker.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Zu Weihnachten gebe ich ___ Kollegen eine Karte.

Met Kerstmis geef ik ___ collega een kaart.

2. Am Anfang des Urlaubs schicke ich ___ Chefin eine E‑Mail.

Aan het begin van de vakantie stuur ik ___ baas een e-mail.

3. Zu Neujahr wünsche ich ___ Kind ein frohes neues Jahr.

Met Nieuwjaar wens ik ___ kind een gelukkig nieuwjaar.

4. An Ostern gebe ich ___ Kindern Schokolade.

Met Pasen geef ik ___ kinderen chocolade.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Schrijf de zinnen met het datiefpronomen (aan wie?): Vervang het gemarkeerde zelfstandig naamwoord door het passende datiefpronomen (mij/je/hem/haar/ons/jullie/hen).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich gebe dem Mann den Schlüssel.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich gebe ihm den Schlüssel.
    (Ik geef hem de sleutel.)
  2. Wir schicken der Frau eine E‑Mail.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir schicken ihr eine E‑Mail.
    (Wij sturen haar een e-mail.)
  3. Du gibst dem Kind das Spielzeug.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Du gibst ihm das Spielzeug.
    (Jij geeft hem het speelgoed.)
  4. Ich gebe den Kindern keinen Zucker.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich gebe ihnen keinen Zucker.
    (Ik geef hun geen suiker.)
  5. Der Mann hilft der Frau.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Der Mann hilft ihr.
    (De man helpt haar.)
  6. Ich danke den Kollegen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich danke ihnen.
    (Ik bedank hen.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Met z’n tweeën: plan vrije dagen en wie welke taken overneemt.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Im Büro plant ihr den Urlaub rund um Weihnachten und Neujahr.
(Op kantoor plannen jullie de vakantie rond Kerstmis en Nieuwjaar.)

Bespreek
  • Welche Feiertage plant ihr im Team und warum? (Welke feestdagen plannen jullie in het team en waarom?)
  • Wem gebt ihr die Aufgaben vor den Feiertagen? (wem?) (Aan wie geven jullie de taken vóór de feestdagen? (aan wie?))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ich gebe dem Kollegen die Aufgaben vor Weihnachten. (Ik geef de collega de taken vóór Kerstmis.)
  • Wir schicken der Chefin die Urlaubsplanung. (We sturen de chef de vakantieplanning.)
  • Ich bringe den Kolleginnen an Silvester kleine Snacks mit. (Ik neem met oudjaarsavond kleine snacks mee voor de collega’s.)

Gebruik in gesprek
  • dem/der/den + Person (Dativ) (aan de/het/de + persoon (datief))
  • einem/einer + Person (Dativ) (aan een/een + persoon (datief))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 22/04/2026 15:24