Der Dativ zeigt das indirekte Objekt eines Satzes – also wem etwas gegeben wird, wem etwas passiert oder wem etwas gehört.

(De datief geeft het indirecte voorwerp van een zin aan – dus aan wie iets gegeven wordt, aan wie iets gebeurt of wie iets toebehoort.)

  1. In de datief vraag je naar wem.
  2. In het meervoud wordt bij de zelfstandige naamwoorden in de datief een „-n“ toegevoegd, tenzij het zelfstandig naamwoord in het meervoud al eindigt op „-n“ of „-s“.
Genus / Numerus (Geslacht / getal)Bestimmter Artikel  (bepaald lidwoord)Unbestimmter Artikel  (onbepaald lidwoord)Beispiel  (voorbeeld)
Maskulin (mannelijk)demeinemIch gebe dem (einem) Mann das Buch. (Ik geef deze/aan de (een) man het boek.)
Feminin (vrouwelijk)dereinerIch gebe der (einer) Frau den Schlüssel (Ik geef de (een) vrouw de sleutel)
Neutrum (onzijdig)demeinemIch gebe dem (einem) Kind das Spielzeug. (Ik geef het (een) kind het speelgoed.)
Plural (meervoud)den– (kein Artikel) (– (geen lidwoord))Ich gebe (den) Kindern keinen Zucker. (Ik geef (de) kinderen geen suiker.)

Oefening 1: Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden - datief

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dem, den, einer, der, einem

1. (Unbstimmt):
Ich gebe ... Kind ein Geschenk.
(Ik geef een kind een cadeau.)
2. (Bestimmt):
Die Feier gefällt ... Kindern.
(Het feest bevalt de kinderen.)
3. (Unbestimmt):
Ich helfe ... Freundin mit den Vorbereitungen für ihre Feier.
(Ik help een vriendin met de voorbereidingen voor haar feest.)
4. (Bestimmt):
Das Buch gehört ... Schwester.
(Het boek behoort toe aan de zus.)
5. (Bestimmt):
Ich gebe ... Kollegin ein Stück Kuchen.
(Ik geef de collega een stuk cake.)
6. (Unbestimmt):
Sie bringt ... Frau die Geschenke.
(Ze brengt een vrouw de cadeaus.)
7. (Bestimmt):
Die Feier gefällt ... Freunden.
(Het feest bevalt de vrienden.)
8. (Bestimmt):
Das Handy gehört ... Bruder.
(De mobiele telefoon behoort tot de broer.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich schicke ___ Chef die Planung für die Feiertage.

Ik stuur ___ chef de planning voor de feestdagen.)

2. Wir geben ___ Kollegen zu Weihnachten kleine Geschenke.

We geven ___ collega’s met kerst kleine cadeautjes.)

3. Zu Silvester schreibe ich ___ Freundin eine Nachricht: „Frohes neues Jahr!“.

Met oudjaar schrijf ik ___ vriendin een bericht: “Gelukkig nieuwjaar!”)

4. Ich erkläre ___ Team den Plan für den Urlaub an Ostern.

Ik leg ___ team het plan voor de vakantie met Pasen uit.)

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen. Gebruik in de datief het juiste bepaalde of onbepaalde lidwoord (dem, der, den, einem, einer) en pas het zelfstandig naamwoord eventueel aan (meervoud met -n).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (dem) Ich schreibe der Kollege eine E-Mail.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich schreibe dem Kollegen eine E-Mail.
    (Ich schreibe dem Kollegen eine E-Mail.)
  2. Hint Hint (einem) Kannst du bitte ein Kollege die Aufgabe erklären?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Kannst du bitte einem Kollegen die Aufgabe erklären?
    (Kannst du bitte einem Kollegen die Aufgabe erklären?)
  3. Hint Hint (dem) Wir geben die Praktikant heute alle Informationen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wir geben dem Praktikanten heute alle Informationen.
    (Wir geben dem Praktikanten heute alle Informationen.)
  4. Hint Hint (einer) Die Chefin zeigt eine neue Mitarbeiter das Büro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Chefin zeigt einer neuen Mitarbeiterin das Büro.
    (Die Chefin zeigt einer neuen Mitarbeiterin das Büro.)
  5. Hint Hint (dem) Ich schicke die Kunde ein Formular für den Urlaub.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ich schicke dem Kunden ein Formular für den Urlaub.
    (Ich schicke dem Kunden ein Formular für den Urlaub.)
  6. Hint Hint (den) Die Firma gibt die Mitarbeiter kein Geld für Überstunden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Die Firma gibt den Mitarbeitern kein Geld für Überstunden.
    (Die Firma gibt den Mitarbeitern kein Geld für Überstunden.)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 09/01/2026 20:13