Leer in deze les het indirecte redengebruik met uitdrukkingen als "Il dit que..." en "Il dit de...", inclusief aanpassingen zoals "qu'" en "d'" voor klinkers en stomme h, essentieel voor correcte verslaggeving van uitspraken in het Frans.
  1. Als men "de" in de passieve vorm gebruikt, staat het werkwoord dat volgt in de infinitief.
Discours direct (Directe rede)Discours indirect (Indirecte rede)
Paul : "Je vais faire de la guitare." (Hij zegt dat hij gitaar gaat spelen.)Il dit qu'il va faire de la guitare. (Hij zegt dat hij gitaar gaat spelen.)
Marie : "J'aime beaucoup l'art" (Ze zegt dat ze erg van kunst houdt.)Elle dit qu'elle aime beaucoup l'art. (Ze zegt dat ze heel erg van kunst houdt.)
Tom : "Regardez là-bas !" (Hij zegt te kijken daar.)Il dit de regarder là-bas. (Hij zegt te kijken daar.)
Léa : "Mon train est en retard." (Ze zegt dat haar trein vertraging heeft.)Elle dit que son train est en retard. (Ze zegt dat haar trein te laat is.)

Uitzonderingen!

  1. "Que" wordt "qu'" wanneer het gevolgd wordt door een klinker of een stomme h.
  2. "De" wordt "d'" wanneer het gevolgd wordt door een klinker of een stomme h.

Oefening 1: Le discours indirect : Il dit que...

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dit que, dit de, dit qu', dit d'

1.
Tom : "Je peins des tableaux." Tom ...il peint des tableaux.
(Tom: "Ik schilder schilderijen." Tom zegt dat hij schilderijen schildert.)
2.
Louis : "Je vois le musicien." Louis ...il voit le musicien.
(Louis: "Ik zie de muzikant." Louis zegt dat hij de muzikant ziet.)
3.
Manon : "Je vais au musée avec Paul demain." Elle ...elle va au musée avec Paul demain.
(Manon zegt dat ze morgen met Paul naar het museum gaat.)
4.
Louis : "Ne courez pas!" Louis ... ne pas courir.
(Louis: "Ren niet!" Louis zegt dat hij niet moet rennen.)
5.
Léa : "Le musée est intéressant." Léa ... le musée est intéressant.
(Léa: "Het museum is interessant." Léa zegt dat het museum interessant is.)
6.
Louis : "Écoutez la musique!" Louis ...écouter la musique.
(Louis: "Luister naar de muziek!" Louis zegt te luisteren naar de muziek.)
7.
Paul : "Essayez de peindre." Paul ...essayer de peindre.
(Paul: "Probeer te schilderen." Paul zegt te proberen te schilderen.)
8.
Léa : "Je rentre à deux heures et je pars à cinq heures." Léa ...elle rentre à deux heure et *qu'**elle part à cinq heures.
(Léa: "Ik kom om twee uur thuis en ik vertrek om vijf uur." Léa zegt dat ze om twee uur thuiskomt en *dat **ze om vijf uur vertrekt.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Il dit ___ aimer chanter une chanson au musée.

(Hij zegt ___ graag een lied te zingen in het museum.)

2. Elle dit ___ écouter le violon pendant l'exposition.

(Ze zegt ___ naar de viool te luisteren tijdens de tentoonstelling.)

3. Le chanteur dit ___ arriver à l'heure pour le concert.

(De zanger zegt ___ op tijd te komen voor het concert.)

4. Ils disent ___ visiter le musée demain.

(Ze zeggen ___ morgen het museum te bezoeken.)

5. Elle dit ___ admirer les tableaux dans la salle.

(Ze zegt ___ de schilderijen in de zaal te bewonderen.)

6. Il dit ___ jouer du piano dans l'exposition musicale.

(Hij zegt ___ piano te spelen op de muziekexpositie.)

Le discours indirect : Il dit que...

In deze les leer je hoe je iemands woorden in het Frans weergeeft via discours indirect, oftewel de indirecte rede. Het gaat erom wat iemand zegt, zonder de exacte woorden aan te halen (zoals bij de directe rede). Dit is een basisonderdeel van het Frans, vooral op niveau A1, dat je helpt om gesprekken en rapportages soepeler te maken.

Wat leer je?

  • Het omzetten van discours direct naar discours indirect.
  • Het gebruik van que en de als verbindingswoorden.
  • Hoe je verbuigingen van que en de aanpast voor klinkers en stomme h (zoals qu' en d').
  • De plaatsing van het onderwerp en werkwoord in de indirecte rede.

Voorbeelden uit de les

Discours directDiscours indirect
Paul : "Je vais faire de la guitare."Il dit qu'il va faire de la guitare.
Marie : "J'aime beaucoup l'art"Elle dit qu'elle aime beaucoup l'art.
Tom : "Regardez là-bas !"Il dit de regarder là-bas.
Léa : "Mon train est en retard."Elle dit que son train est en retard.

Belangrijke taalregels

  • Gebruik que voor het inleiden van een zin met een persoonsvorm (zoals in "Il dit qu'il va...").
  • Gebruik de als je aansluit bij een infinitief (zoals in "Il dit de regarder...").
  • Que wordt korter als het gevolgd wordt door een klinker of stomme h: qu'.
  • De krijgt dan ook een apostrof: d'.

Verschillen tussen Nederlands en Frans bij de indirecte rede

In het Nederlands maak je vaak gebruik van voegwoorden zoals "dat" en "te" om indirecte rede te vormen. Het Franse que komt overeen met het Nederlandse "dat". Een groot verschil is het gebruik van de + infinitief in plaats van een conjunctief of een werkwoordsvorm, bijvoorbeeld:
Il dit de regarder (Hij zegt te kijken/bekijken).
In het Nederlands wordt meestal een hele zin vermeld, terwijl het Frans vaker een infinitief gebruikt na de/d'.

Handige woorden en zinnen

  • Il dit que... – Hij zegt dat...
  • Elle dit qu' – Zij zegt dat...
  • Il dit de... – Hij zegt te...
  • Qu' en d' voor soepelere uitspraak vóór klinkers.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Azéline Perrin

bacheloropleiding in toegepaste vreemde talen

Université de Lorraine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 17/07/2025 21:28