1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (12)

L'art

L'art Show

De kunst Show

Une œuvre

Une œuvre Show

Een kunstwerk Show

Le musée

Le musée Show

Het museum Show

Le tableau

Le tableau Show

Het schilderij Show

Le musicien

Le musicien Show

De musicus Show

Le chanteur

Le chanteur Show

De zanger Show

Le piano

Le piano Show

De piano Show

La guitare

La guitare Show

De gitaar Show

Le violon

Le violon Show

De viool Show

Arriver

Arriver Show

Aankomen Show

Chanter une chanson

Chanter une chanson Show

Een lied zingen Show

Jouer d'un instrument

Jouer d'un instrument Show

Een instrument bespelen Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Newsletter de la mairie : Nuit des musées

Woorden om te gebruiken: art, musique, chanteuse, œuvre, tableaux, concert, piano, guitare, musiciens, art, musées

(Gemeentelijke nieuwsbrief: Nacht van de musea)

Samedi prochain, la ville organise la « Nuit des ». L’entrée est gratuite dans le grand musée d’ moderne. Vous pouvez visiter une grande exposition et voir des célèbres. Un guide présente une importante et explique la vie du peintre. Il dit que l’ est pour tout le monde, pas seulement pour les spécialistes.

À 20 heures, un petit commence dans le hall du musée. Une et deux jouent du et de la . La directrice du musée dit que la aide les visiteurs à regarder les tableaux plus longtemps. Le musée ferme exceptionnellement à minuit pendant cet événement spécial.
Volgende zaterdag organiseert de stad de «Nacht van de musea». De toegang is gratis in het grote museum voor moderne kunst. Je kunt een grote tentoonstelling bezoeken en beroemde schilderijen bekijken. Een gids presenteert een belangrijk kunstwerk en vertelt over het leven van de schilder. Hij zegt dat kunst voor iedereen is, niet alleen voor specialisten.

Om 20.00 uur begint in de hal van het museum een klein concert. Een zangeres en twee muzikanten spelen piano en gitaar. De directrice van het museum zegt dat muziek de bezoekers helpt om langer naar de schilderijen te kijken. Het museum sluit uitzonderlijk om middernacht tijdens dit speciale evenement.

  1. Qu’est-ce que la ville organise samedi prochain ?

    (Wat organiseert de stad volgende zaterdag?)

  2. Que présente le guide dans le musée ?

    (Wat presenteert de gids in het museum?)

  3. Que se passe-t-il à 20 heures dans le hall du musée ?

    (Wat gebeurt er om 20.00 uur in de hal van het museum?)

  4. Est-ce que tu aimes aller au musée ou à un concert ? Pourquoi ?

    (Ga jij graag naar een museum of naar een concert? Waarom?)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ce soir, nous allons au musée d’art moderne. (Vanavond gaan we naar het museum voor moderne kunst.)
Elle dit qu’elle adore ce tableau de Monet. (Ze zegt dat ze dol is op dit schilderij van Monet.)
Demain, je vais écouter un chanteur dans un bar. (Morgen ga ik naar een zanger in een bar om te luisteren.)
Hier, nous avons visité une belle exposition de musique. (Gisteren hebben we een mooie muziekexpositie bezocht.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Il dit qu’hier il ___ le musée d’art moderne avec ses collègues.

(Hij zegt dat hij gisteren ___ het museum voor moderne kunst met zijn collega’s heeft bezocht.)

2. Elle dit qu’ils ___ une exposition de tableaux sur la musique classique.

(Zij zegt dat ze ___ een tentoonstelling met schilderijen over klassieke muziek hebben bezocht.)

3. Le guide dit ___ aussi la petite salle où un musicien joue du piano.

(De gids zegt ___ ook de kleine zaal waar een musicus piano speelt.)

4. Après le concert, ils disent qu’ils ___ déjà ___ ce musée plusieurs fois.

(Na het concert zeggen ze dat ze ___ al ___ dit museum meerdere keren hebben bezocht.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Tu es avec un collègue après le travail. Il propose un concert en ville ce soir et te demande ton avis. Réponds et dis si tu aimes la musique, et quel type. (Utilise : la musique, le chanteur, j’aime / je n’aime pas)

(Je bent met een collega na het werk. Hij stelt voor om vanavond naar een concert in de stad te gaan en vraagt je mening. Antwoord en zeg of je van muziek houdt en welk soort. (Gebruik: la musique, le chanteur, j'aime / je n'aime pas))

J’aime la musique  

(J'aime la musique ...)

Voorbeeld:

J’aime la musique pop, j’aime bien quand le chanteur est très énergique.

(J'aime la musique pop, ik vind het leuk als de zanger erg energiek is.)

2. Tu es à Paris avec un ami. Vous êtes devant un grand bâtiment, c’est un musée. Ton ami te demande si tu veux entrer. Dis si tu veux visiter et pourquoi. (Utilise : le musée, intéressant, j’aimerais)

(Je bent in Parijs met een vriend. Jullie staan voor een groot gebouw: een museum. Je vriend vraagt of je naar binnen wilt. Zeg of je het museum wilt bezoeken en waarom. (Gebruik: le musée, intéressant, j'aimerais))

Au musée, j’aimerais  

(Au musée, j'aimerais ...)

Voorbeeld:

Au musée, j’aimerais voir une exposition de peinture, je trouve ça très intéressant.

(Au musée, j'aimerais voir une exposition de peinture, ik vind dat erg interessant.)

3. Tu es chez des amis pour un dîner. Une amie joue du piano dans le salon et elle te demande si tu joues aussi d’un instrument. Réponds et explique un peu. (Utilise : le piano, jouer d’un instrument, un peu / bien)

(Je bent bij vrienden voor een diner. Een vriendin speelt piano in de woonkamer en vraagt of jij ook een instrument bespeelt. Antwoord en leg kort uit. (Gebruik: le piano, jouer d'un instrument, un peu / bien))

Je joue d’un instrument  

(Je joue d'un instrument ...)

Voorbeeld:

Je joue d’un instrument, je joue un peu de guitare, mais je ne joue pas bien le piano.

(Je joue d'un instrument, ik speel een beetje gitaar, maar ik speel niet goed piano.)

4. Tu vas à une exposition de tableaux dans ta ville avec un collègue. Il te demande ce que tu aimes regarder dans une œuvre. Réponds et parle d’un type de tableau que tu aimes. (Utilise : le tableau, une œuvre, les couleurs)

(Je gaat met een collega naar een schilderijententoonstelling in jouw stad. Hij vraagt wat je graag bekijkt in een kunstwerk. Antwoord en noem een soort schilderij dat je mooi vindt. (Gebruik: le tableau, une œuvre, les couleurs))

Dans un tableau, j’aime  

(Dans un tableau, j'aime ...)

Voorbeeld:

Dans un tableau, j’aime les couleurs vives, une œuvre avec beaucoup de bleu et de jaune.

(Dans un tableau, j'aime les couleurs vives, een werk met veel blauw en geel.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om een culturele avond te beschrijven die je graag in jouw stad zou willen organiseren (museum, concert of iets anders).

Nuttige uitdrukkingen:

Je voudrais aller à… / J’aime beaucoup… / Je préfère… parce que… / Avec mes amis, nous allons…

Exercice 7: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Décrivez les activités dans les images. (Beschrijf de activiteiten op de foto's.)
  2. Parlez de votre art et musique préférés. (Praat over je favoriete kunst en muziek.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Il y a deux garçons qui regardent la télévision.

Er zijn twee jongens die televisie kijken.

Vous pouvez voir un artiste travailler sur un projet artistique.

Je kunt een kunstenaar aan een kunstproject zien werken.

J'aime l'exposition de Picasso.

Ik houd van de tentoonstelling van Picasso.

À quelle heure commence le concert ?

Hoe laat begint het concert?

Je vais à une exposition sur l'art moderne.

Ik ga naar een tentoonstelling over moderne kunst.

J'aime le rock, mais j'apprécie aussi un concert de jazz.

Ik houd van rock, maar ik geniet ook van een jazzconcert.

...