Voorzetselvoornaamwoorden van plaats: y en en

Les pronoms compléments de lieu: "y" et "en"


Les pronoms compléments de lieu y et en évitent la répétition.

(De plaatselijke voornaamwoorden y en en vermijden herhaling.)

Y of en: de snelle kern (waarom bestaan ze?)

In het Frans wil je herhaling vermijden. Daarom vervang je een hele plaats- of de-groep door één klein woord:

  • y = er / daar (meestal een plaats)
  • en = ervan / eruit / daarvan (meestal de, hoeveelheid of partitief)

Wanneer gebruik je y? (plaats met “à / in / op / bij”)

Kies y als je verwijst naar een plaats die eerder staat met:

  • à (naar/aan), dans (in), chez (bij), sur (op), en (in/naar, landen/streken)
Volledige zin Met y
Tu vas à la cuisine ? Oui, j’y vais.
Nous travaillons dans ce bureau. Nous y travaillons.
Il va au frigo. Il y va.

Tip: denk in het Nederlands aan erheen / daar. Als dat klopt, is y vaak juist.

Wanneer gebruik je en? (de + herkomst / hoeveelheid / “wat van”)

Kies en als je vervangt:

  • een groep met de / du / de la / des
  • herkomst: “van/uit …”
  • hoeveelheid: “veel/weinig/twee … (ervan)”
  • partitief: “wat (van iets)”
Volledige zin Met en
Je reviens de la poste. J’en reviens.
Nous faisons une machine. Nous en faisons une (maintenant).
Il boit beaucoup de café. Il en boit beaucoup.

Tip: denk aan Nederlands ervan of eruit. Als dat klopt, is en vaak juist.

Mini-beslisboom (in 10 seconden)

  1. Staat er “à/dans/chez/sur/en” + plaats? → gebruik y.
  2. Staat er “de/du/de la/des” of een hoeveelheid? → gebruik en.
  3. Gaat “à/de” over een persoon?niet y/en, maar lui/leur.

Let op: persoon = lui / leur (niet y/en)

Als à of de naar een persoon verwijst:

  • Je parle à Marie → Je lui parle.
  • Je parle à mes collègues → Je leur parle.

Dus:

  • Je parle à Marie. Je parle y.
  • Je parle à Marie. J’en parle.
  • Je parle à Marie. Je lui parle.

Plaats in de zin: waar zet je y en en?

In de meeste A1-zinnen zet je ze vóór het werkwoord (zoals le/la ook):

  • J’y vais.
  • J’en prends.

Met twee werkwoorden (bv. devoir, aller, vouloir) staan ze meestal vóór het tweede werkwoord (de infinitief):

  • Je dois y aller.
  • Je vais en prendre.
  • Je peux y travailler.

Zelfcheck: kan ik het goed kiezen?

  • Kan ik in het Nederlands zeggen erheen / daar? → meestal y.
  • Kan ik in het Nederlands zeggen ervan / eruit of noem ik een hoeveelheid? → meestal en.
  • Gaat het over een persoon? → lui/leur.

Doel: je maakt je zinnen korter en natuurlijker, zonder info te verliezen.

  1. Het voornaamwoord "y" vervangt een plaats, wanneer het voorafgegaan wordt door "à", "dans", "chez", "sur", "en".
  2. Het voornaamwoord "en" vervangt een plaats waar je vandaan komt, een hoeveelheid of een partitivum voorafgegaan door "de", "du", "de la", "des".
Pronom (Voornaamwoord)Exemple (Voorbeeld)
Y (Y)

Tu vas à la cuisine ? - Oui, j'y vais. (Ga je naar de keuken? – Ja, ik ga erheen.)

Je dois nettoyer la cuisine. Je dois y nettoyer le sol. (Ik moet de keuken schoonmaken. Ik moet er de vloer schoonmaken.)

Je vais au frigo. J’y vais pour prendre un verre d’eau. (Ik ga naar de koelkast. Ik ga erheen om een glas water te nemen.)

En (En)

Nous étendons le linge. Nous en étendons beaucoup. (We hangen de was op. We hangen er veel op.)

Il passe l’aspirateur dans la chambre. Il en passe dans toute la maison. (Hij stofzuigt in de slaapkamer. Hij stofzuigt er in het hele huis.)

Elle utilise son ordinateur pour le travail. Elle en utilise pour faire des recherches. (Zij gebruikt haar computer voor het werk. Zij gebruikt er een om onderzoek te doen.)

Uitzonderingen!

  1. Als "à" of "de" over een persoon gaat, gebruik je niet "y" of "en", maar lui of leur. Voorbeeld: Je parle à Marie: Je lui parle.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Le lave-vaisselle est sale. Je dois ___ nettoyer le filtre.

De vaatwasser is vies. Ik moet ___ het filter daarin schoonmaken.

2. Le linge est dans la machine à laver. J’___ sors les chemises.

De was zit in de wasmachine. Ik haal ___ de overhemden eruit.

3. Tu vas au frigo ? Oui, j’___ prends une bouteille d’eau.

Ga je naar de koelkast? Ja, ik pak ___ een fles water.

4. Nous avons beaucoup de linge humide. Nous ___ étendons sur le balcon.

We hebben veel natte was. We hangen ___ op het balkon.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door de plaats- of hoeveelheidsgroep te vervangen door het juiste voornaamwoord: y of en.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (y) Tu vas à la pharmacie ce soir ?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Tu y vas ce soir ?
    (Ga je vanavond naar de apotheek?)
  2. Hint Hint (en) Je reviens de la poste maintenant.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    J'en reviens maintenant.
    (Ik kom nu terug van het postkantoor.)
  3. Hint Hint (y) Nous travaillons dans ce bureau.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Nous y travaillons.
    (We werken in dit kantoor.)
  4. Hint Hint (en) Il boit beaucoup de café au travail.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il en boit beaucoup au travail.
    (Hij drinkt op het werk veel koffie.)
  5. Hint Hint (y) Vous habitez à Paris ?
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Vous y habitez ?
    (Wonen jullie in Parijs?)
  6. Hint Hint (en) Elles parlent de leurs vacances tous les jours.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Elles en parlent tous les jours.
    (Ze praten elke dag over hun vakantie.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Werk in tweetallen, verdeel de taken en leg jullie schoonmaakroutines uit.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Vous partagez un appartement et organisez ensemble l'utilisation des appareils ménagers.
(Je deelt een appartement en regelt samen het gebruik van de huishoudelijke apparaten.)

Bespreek
  • Quels appareils utilisez-vous chaque jour et pourquoi ? (Welke apparaten gebruiken jullie elke dag en waarom?)
  • Où faites-vous le ménage dans l'appartement ? Vous y passez souvent l'aspirateur ? Expliquez votre routine de nettoyage : vous en faites beaucoup ou peu ? (Waar doen jullie het huishouden in het appartement? Stofzuig je daar vaak? Leg je schoonmaakroutine uit: doe je veel of weinig schoonmaakwerk.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Tu vas à la cuisine ? Oui, j'y vais pour ranger. (Ga je naar de keuken? Ja, ik ga erheen om op te ruimen.)
  • Je passe l'aspirateur dans le salon, j'y passe dix minutes. (Ik stofzuig de woonkamer; ik ben er ongeveer tien minuten mee bezig.)
  • Je fais une machine et j'en fais deux par semaine. (Ik doe een wasje en ik draai er twee per week.)

Gebruik in gesprek
  • remplacer un lieu avec y (vervang een plaats door y)
  • remplacer une quantité ou un partitif avec en (vervang een hoeveelheid of een partitive door en)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Donia Ben Salem

Toegepaste vreemde talen

Université de Lorraine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

zaterdag, 07/03/2026 05:53