Onregelmatige werkwoorden zoals zijn, hebben, gaan, doen veranderen vaak van klank: was, had, ging, deed.

Wat leer je hier precies?

  • Je herkent de onvoltooid verleden tijd (ovt) van veelgebruikte onregelmatige werkwoorden.
  • Je weet wanneer je ovt gebruikt in verhalen over werk, studie en verleden.
  • Je let op het verschil tussen enkelvoud en meervoud (ik / hij vs. we / ze).

1. Wanneer gebruik je de onvoltooid verleden tijd (ovt)?

  • Je vertelt over afgelopen gewoontes of situaties.
    • Ik ging vroeger met de trein naar mijn werk.
    • Wij hadden toen nog geen laptop.
  • Je beschrijft een verhaal in het verleden.
    • Gisteren deed hij het verslag en zag hij een fout.

Signaalwoorden die vaak bij ovt horen: gisteren, vroeger, vorig jaar, toen, vorige week, op de middelbare school, toen ik student was …

2. Onregelmatige werkwoorden: wat is er anders?

Regelmatige werkwoorden krijgen in de ovt meestal -de of -te (bijv. werken → werkte).

De werkwoorden in deze les zijn onregelmatig: je kunt de ovt niet voorspellen met -de / -te. Je moet de vormen leren en herkennen.

Infinitief Ik / hij (enkelvoud) Wij / zij (meervoud)
zijnwaswaren
hebbenhadhadden
doendeeddeden
gaanginggingen
zienzagzagen
zeggenzeizeiden
vragenvroegvroegen
denkendachtdachten
kunnenkonkonden
moetenmoestmoesten
mogenmochtmochten
brengenbrachtbrachten
kopenkochtkochten
zoekenzochtzochten
staanstondstonden
zullenzouzouden

3. Stap 1: herken eerst de infinitief

Begin altijd met de infinitief (het woordenboekwoord):

  • zijn, hebben, doen, gaan, zien, denken, kunnen, moeten, mogen

Vraag jezelf:

  • Over wanneer gaat mijn zin? Nu of vroeger?
  • Wie is het onderwerp? (ik / hij of wij / zij?)

Als het over vroeger gaat, kies je de ovt-vorm uit de tabel.

4. Stap 2: let op enkelvoud en meervoud

Belangrijk bij onregelmatige werkwoorden in de ovt:

  • Enkelvoud: ik, jij, hij, zij, het → één vorm
  • Meervoud: wij, jullie, zij → meervoudsvorm
Onderwerp Goed Fout
wij wij gingen naar de les. wij ging naar de les.
zij (meervoud) zij zagen de presentatie. zij zag de presentatie.
ik ik had een drukke dag. ik hadden een drukke dag.

Zelfcheck: zoek in je zin het onderwerp. Past daar een enkelvoudsvorm of meervoudsvorm bij?

5. Typische fouten en hoe je ze vermijdt

  • Fout 1: tegenwoordige tijd gebruiken bij een tijdwoord van verleden
    • Ik ga gisteren naar de vergadering.
    • Correct: Ik ging gisteren naar de vergadering.
  • Fout 2: infinitief gebruiken als verleden tijd
    • Hij doen zijn huiswerk vorige week.
    • Correct: Hij deed zijn huiswerk vorige week.
  • Fout 3: verkeerde vorm bij meervoud
    • We had een interessante les.
    • Correct: We hadden een interessante les.
  • Fout 4: fantasievormen maken
    • zij zienden → deze vorm bestaat niet.
    • Correct: zij zagen.

6. Handige koppels om te onthouden

Leer de belangrijkste werkwoorden in vaste setjes (tegenwoordige tijd → ovt):

Tegenwoordig Verleden (ovt) Voorbeeldzin (ovt)
ik ben ik was Toen ik student was, werkte ik ’s avonds.
ik heb ik had Ik had gisteren drie vergaderingen.
ik ga ik ging Ik ging altijd vroeg naar kantoor.
ik doe ik deed Ik deed de administratie.
ik kan ik kon Ik kon me toen beter concentreren.
ik moet ik moest Ik moest vaak overwerken.
ik mag ik mocht Ik mocht thuiswerken op vrijdag.

7. Mini-stappenplan: zelf een zin omzetten naar ovt

  1. Vind het werkwoord in de zin.
    • Hij gaat elke dag naar kantoor. → werkwoord: gaat (gaan)
  2. Kijk naar de tijd.
    • Wil je het over nu of vroeger hebben?
    • We veranderen naar vroeger: vorig jaar.
  3. Kies de juiste ovt-vorm uit de tabel.
    • gaan → ging (enkelvoud)
  4. Pas de zin aan.
    • Hij ging vorig jaar elke dag naar kantoor.

8. Zelfcheckvragen

  • Staat er een tijdwoord van verleden in mijn zin (gisteren, vroeger, toen …)?
    • Ja → gebruik ovt.
  • Is mijn onderwerp enkelvoud of meervoud?
    • Enkelvoud → was, had, ging, deed, kon, moest, mocht …
    • Meervoud → waren, hadden, gingen, deden, konden, moesten, mochten …
  • Heb ik per ongeluk de tegenwoordige tijd laten staan?
    • Ik ben vroeger docent.Ik was vroeger docent.
  • Heb ik geen fantasievorm gemaakt?
    • Bestaat de vorm echt? Zo niet → check de tabel.

9. Waar let je vooral op in gesprekken?

  • Let op de overgangen in tijd:
    • Nu heb ik een andere baan, maar vroeger had ik veel meer collega’s.
  • Gebruik ovt als je een verhaal of herinnering vertelt:
    • Toen ik op de middelbare school was, ging ik altijd met de fiets en moest ik veel huiswerk maken.
  • Combineer meerdere onregelmatige werkwoorden in één zin:
    • We waren laat, maar we konden de trein nog halen en we deden de presentatie toch.

Als je deze tabel en stappen erbij houdt, kun je zelfstandig zinnen in de onvoltooid verleden tijd maken en controleren.

  1. Sommige veelvoorkomende werkwoorden hebben een onregelmatige vorm in de onvoltooid verleden tijd.
  2. Deze werkwoorden volgen geen vaste regelmatige patronen zoals de meeste werkwoorden met -de/-te in de verleden tijd.
InfinitiefVerleden tijdInfinitiefVerleden tijd
zijnwas, warenkunnenkon, konden
hebbenhad, haddenmoetenmoest, moesten
doendeed, dedenmogenmocht, mochten
gaanging, gingenbrengenbracht, brachten
zienzag, zagenkopenkocht, kochten
zeggenzei, zeidenzoekenzocht, zochten
vragenvroeg, vroegenstaanstond, stonden
denkendacht, dachtenzullenzou, zouden

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Toen ik op de basisschool ___, had ik een juf die altijd heel geduldig was.


2. Op de middelbare school ___ ik elke dag om acht uur in het klaslokaal zijn.


3. In de vierde klas ___ we vaak samen naar de bibliotheek om te studeren, maar ik ___ me niet altijd goed concentreren.


4. Op de universiteit ___ ik een cursus over het Nederlandse onderwijssysteem en ___ ik hoe anders de basisschool hier is.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de correcte zin in de onvoltooid verleden tijd (ovt) met onregelmatige werkwoorden, zoals gebruikt in dagelijkse gesprekken over school en werk.

1.
'Gaan' is de infinitief en niet correct als verleden tijd.
'Ga' is de tegenwoordige tijd, terwijl hier de verleden tijd nodig is.
2.
'Doen' is de infinitief; de verleden tijd ontbreekt hier.
'Doet' is de tegenwoordige tijd, terwijl de verleden tijd hier nodig is.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de onvoltooid verleden tijd (gebruik de juiste onregelmatige vorm van het werkwoord).

Toon/verberg hints
  1. Ik ben vandaag ziek en ik blijf thuis.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik was vandaag ziek en ik bleef thuis.
  2. Wij hebben weinig tijd voor de vergadering.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij hadden weinig tijd voor de vergadering.
  3. Wat doe jij meestal na je werk?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wat deed jij gisteren na je werk?
  4. Wij gaan elke ochtend met de trein naar kantoor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij gingen vanochtend met de trein naar kantoor.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertel over je schooltijd en vraag door naar elkaars herinneringen.

Situatie
Je bent op een reünie met oude klasgenoten van de middelbare school.

Bespreek
  • Hoe was jouw basisschool of middelbare school? Wat vond je leuk en moeilijk?
  • Welke leraar of lerares had je vroeger? Wat deed hij/zij dat jij goed of niet goed vond?
Moest je vroeger veel huiswerk doen? Wat deed je als je geen zin had?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Toen ik op de basisschool was, had ik goede cijfers.
  • Ik ging elke dag met de fiets naar school.
  • Ik moest soms veel huiswerk maken en kon soms niet ontspannen.

Gebruik in gesprek
  • onvoltooid verleden tijd van zijn/hebben
  • onvoltooid verleden tijd van gaan/doen

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 00:59