Onregelmatige werkwoorden zoals zijn, hebben, gaan, doen veranderen vaak van klank: was, had, ging, deed.
- Sommige veelvoorkomende werkwoorden hebben een onregelmatige vorm in de onvoltooid verleden tijd.
- Deze werkwoorden volgen geen vaste regelmatige patronen zoals de meeste werkwoorden met -de/-te in de verleden tijd.
| Infinitief | Verleden tijd | Infinitief | Verleden tijd |
|---|---|---|---|
| zijn | was, waren | kunnen | kon, konden |
| hebben | had, hadden | moeten | moest, moesten |
| doen | deed, deden | mogen | mocht, mochten |
| gaan | ging, gingen | brengen | bracht, brachten |
| zien | zag, zagen | kopen | kocht, kochten |
| zeggen | zei, zeiden | zoeken | zocht, zochten |
| vragen | vroeg, vroegen | staan | stond, stonden |
| denken | dacht, dachten | zullen | zou, zouden |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Toen ik op de basisschool zat, ___ mijn lievelingsvak tekenen.
2. Gisteren ___ ik een gesprek met de mentor over mijn cijfers.
3. Op de middelbare school ___ ik elke dag met de fiets naar school.
4. Tijdens de les ___ de docent dat we ons moesten inschrijven voor het examen.
Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen in de onvoltooid verleden tijd (OVT) en gebruik de juiste onregelmatige vormen van de werkwoorden.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon/verberg hints-
Ik ben ziek, dus ik ga niet naar kantoor.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIk was ziek, dus ik ging niet naar kantoor.
-
We hebben vandaag een overleg en we doen de presentatie samen.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWe hadden die dag een overleg en we deden de presentatie samen.
-
Zij ziet de klant in de hal en zij zegt meteen hallo.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldZij zag de klant in de hal en zij zei meteen hallo.
-
De manager vraagt om hulp, maar ik kan niet komen.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDe manager vroeg om hulp, maar ik kon niet komen.