Onvoltooid verleden tijd: onregelmatige werkwoorden

Onvoltooid verleden tijd: onregelmatige werkwoorden


Onregelmatige werkwoorden zoals zijn, hebben, gaan, doen veranderen vaak van klank: was, had, ging, deed.

Wanneer gebruik je de OVT?

De onvoltooid verleden tijd (OVT) gebruik je voor:

  • afgesloten gebeurtenissen in het verleden: Gisteren ging ik naar kantoor.
  • situaties/achtergrond vroeger: Vroeger had ik een vaste parkeerplek.
  • een reeks gebeurtenissen in een verhaal: Ik zag hem, zei hallo en ging verder.

Onregelmatige werkwoorden: wat is het probleem?

De meeste werkwoorden maken OVT met -de of -te. Maar deze werkwoorden doen dat niet.

  • Je kunt de OVT niet “uitrekenen”.
  • Je moet de vorm herkennen en onthouden.

Voorbeeld:

  • Ik hebdeIk had
  • Hij gaandeHij ging

Snel herkennen: enkelvoud vs. meervoud

Veel onregelmatige werkwoorden hebben:

  • enkelvoud: ik/hij/zij → 1 vorm
  • meervoud: wij/jullie/zij → vaak -en
Infinitief Enkelvoud (ik/hij/zij) Meervoud (wij/jullie/zij)
zijn was waren
hebben had hadden
kunnen kon konden
moeten moest moesten

Let op: niet elk werkwoord volgt precies dit patroon, maar bij veel woorden helpt het: meervoud = +en.

Werkwoord in de zin: waar zet je de OVT?

De OVT is gewoon de persoonsvorm. Die staat meestal op plek 2.

  • Vandaag ga ik laat. → Gisteren ging ik laat.
  • In de hal zie ik hem. → In de hal zag ik hem.

Typische valkuilen (en hoe je ze voorkomt)

  • 1) Twee tijden door elkaar
    • Toen was ik 12, ben ik elke dag naar school ging.
    • Toen ik 12 was, ging ik elke dag naar school.
  • 2) Onregelmatig toch “regelmatig” maken
    • Hij zegde het gisteren.Hij zei het gisteren.
    • Wij koopten brood.Wij kochten brood.
  • 3) Modale werkwoorden: betekenis blijft, vorm verandert
    • kankon (mogelijkheid)
    • moetmoest (noodzaak)
    • magmocht (toestemming)
    • zalzou (plan/verwachting)

Stappenplan: zo maak je een zin in de OVT

  1. Zoek het werkwoord (persoonsvorm) in de zin.
  2. Is het een werkwoord uit de lijst? → kies de onregelmatige OVT uit de tabel.
  3. Zet de persoonsvorm op de juiste plek (meestal plek 2).
  4. Check: klopt enkelvoud/meervoud? (was vs. waren)

Zelfcheck (snel)

  • Heb ik maar één verleden tijd gebruikt (niet ben + ging)?
  • Heb ik de onregelmatige vorm gekozen (niet zelf gemaakt)?
  • Past de vorm bij het onderwerp: ik/hij/zij vs. wij/jullie/zij?
  1. Sommige veelvoorkomende werkwoorden hebben een onregelmatige vorm in de onvoltooid verleden tijd.
  2. Deze werkwoorden volgen geen vaste regelmatige patronen zoals de meeste werkwoorden met -de/-te in de verleden tijd.
InfinitiefVerleden tijdInfinitiefVerleden tijd
zijnwas, warenkunnenkon, konden
hebbenhad, haddenmoetenmoest, moesten
doendeed, dedenmogenmocht, mochten
gaanging, gingenbrengenbracht, brachten
zienzag, zagenkopenkocht, kochten
zeggenzei, zeidenzoekenzocht, zochten
vragenvroeg, vroegenstaanstond, stonden
denkendacht, dachtenzullenzou, zouden

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Toen ik op de basisschool zat, ___ mijn lievelingsvak tekenen.


2. Gisteren ___ ik een gesprek met de mentor over mijn cijfers.


3. Op de middelbare school ___ ik elke dag met de fiets naar school.


4. Tijdens de les ___ de docent dat we ons moesten inschrijven voor het examen.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de onvoltooid verleden tijd (OVT) en gebruik de juiste onregelmatige vormen van de werkwoorden.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon/verberg hints
  1. Ik ben ziek, dus ik ga niet naar kantoor.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ik was ziek, dus ik ging niet naar kantoor.
  2. We hebben vandaag een overleg en we doen de presentatie samen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    We hadden die dag een overleg en we deden de presentatie samen.
  3. Zij ziet de klant in de hal en zij zegt meteen hallo.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Zij zag de klant in de hal en zij zei meteen hallo.
  4. De manager vraagt om hulp, maar ik kan niet komen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    De manager vroeg om hulp, maar ik kon niet komen.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 07/05/2026 23:01