A2.12.2 - Imperfekt: unregelmäßige Verben
Onvoltooid verleden tijd: onregelmatige werkwoorden
Onregelmatige werkwoorden zoals zijn, hebben, gaan, doen veranderen vaak van klank: was, had, ging, deed.
(Unregelmäßige Verben wie sein, haben, gehen, tun verändern oft ihren Klang: war, hatte, ging, tat.)
- Einige häufige Verben haben eine unregelmäßige Form in der onvoltooid verleden tijd.
- Diese Verben folgen keinen festen regelmäßigen Mustern wie die meisten Verben mit -de/-te in der Vergangenheit.
| Infinitief (Infinitiv) | Verleden tijd (Präteritum / Vergangenheit) | Infinitief (Infinitiv) | Verleden tijd (Präteritum / Vergangenheit) |
|---|---|---|---|
| zijn (sein) | was, waren | kunnen (können) | kon, konden |
| hebben (haben) | had, hadden | moeten (müssen) | moest, moesten |
| doen (tun) | deed, deden | mogen (dürfen) | mocht, mochten |
| gaan (gehen) | ging, gingen | brengen (bringen) | bracht, brachten |
| zien (sehen) | zag, zagen | kopen (kaufen) | kocht, kochten |
| zeggen (sagen) | zei, zeiden | zoeken (suchen) | zocht, zochten |
| vragen (fragen) | vroeg, vroegen | staan (stehen) | stond, stonden |
| denken (denken) | dacht, dachten | zullen (werden) | zou, zouden |
Übung 1: Imperfekt: unregelmäßige Verben
Anleitung: Füllen Sie das richtige Wort ein.
stond, dacht, hadden, zouden, vroeg, was, gingen
Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle den korrekten Satz im Präteritum (einfache Vergangenheit) mit unregelmäßigen Verben, wie sie in alltäglichen Gesprächen über Schule und Arbeit verwendet werden.
Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Schreibe die Sätze im Präteritum um (verwende die richtige unregelmäßige Form des Verbs).
-
Ik ben vandaag ziek en ik blijf thuis.⇒ _______________________________________________ ExampleIk was vandaag ziek en ik bleef thuis.(Ik was vandaag ziek en ik bleef thuis.)
-
Wij hebben weinig tijd voor de vergadering.⇒ _______________________________________________ ExampleWij hadden weinig tijd voor de vergadering.(Wij hadden weinig tijd voor de vergadering.)
-
Wat doe jij meestal na je werk?⇒ _______________________________________________ ExampleWat deed jij gisteren na je werk?(Wat deed jij gisteren na je werk?)
-
Wij gaan elke ochtend met de trein naar kantoor.⇒ _______________________________________________ ExampleWij gingen vanochtend met de trein naar kantoor.(Wij gingen vanochtend met de trein naar kantoor.)
-
Ik kan goed met mijn collegas samenwerken.⇒ _______________________________________________ ExampleIk kon goed met mijn collegas samenwerken.(Ik kon goed met mijn collegas samenwerken.)
-
Moet je nu een verslag maken voor je manager?⇒ _______________________________________________ ExampleMoest je gisteren een verslag maken voor je manager?(Moest je gisteren een verslag maken voor je manager?)
Wenden Sie diese Grammatik bei echten Gesprächen an!
Diese Grammatikübungen sind Teil unserer Konversationskurse. Finde einen Lehrer und übe dieses Thema in echten Gesprächen!
- Implementiert CEFR, DELE-Prüfung und Richtlinien des Cervantes-Instituts
- Unterstützt von der Universität Siegen
Geschrieben von
Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage