Onregelmatige werkwoorden zoals zijn, hebben, gaan, doen veranderen vaak van klank: was, had, ging, deed.
(Los verbos irregulares como
- Algunos verbos muy frecuentes tienen una forma irregular en el onvoltooid verleden tijd.
- Estos verbos no siguen patrones regulares fijos como la mayoría de los verbos con -de/-te en el pasado.
| Infinitief (Infinitivo) | Verleden tijd (Pretérito imperfecto) | Infinitief (Infinitivo) | Verleden tijd (Pretérito imperfecto) |
|---|---|---|---|
| zijn (ser/estar) | was, waren | kunnen (poder) | kon, konden |
| hebben (tener) | had, hadden | moeten (deber/tener que) | moest, moesten |
| doen (hacer) | deed, deden | mogen (poder, estar permitido) | mocht, mochten |
| gaan (ir) | ging, gingen | brengen (llevar/traer) | bracht, brachten |
| zien (ver) | zag, zagen | kopen (comprar) | kocht, kochten |
| zeggen (decir) | zei, zeiden | zoeken (buscar) | zocht, zochten |
| vragen (preguntar) | vroeg, vroegen | staan (estar de pie) | stond, stonden |
| denken (pensar) | dacht, dachten | zullen (auxiliar de futuro/condicional) | zou, zouden |
Ejercicio 1: Opción múltiple
Instrucción: Elige la respuesta correcta
1. Toen ik op de basisschool ___, had ik een juf die altijd heel geduldig was.
Cuando estaba en la escuela primaria ___, tuve una maestra que siempre fue muy paciente.)2. Op de middelbare school ___ ik elke dag om acht uur in het klaslokaal zijn.
En la escuela secundaria ___ yo todos los días a las ocho en el aula.)3. In de vierde klas ___ we vaak samen naar de bibliotheek om te studeren, maar ik ___ me niet altijd goed concentreren.
En cuarto curso ___ íbamos a menudo juntos a la biblioteca a estudiar, pero yo ___ no siempre podía concentrarme bien.)4. Op de universiteit ___ ik een cursus over het Nederlandse onderwijssysteem en ___ ik hoe anders de basisschool hier is.
En la universidad ___ un curso sobre el sistema educativo neerlandés y ___ vi lo diferente que es la escuela primaria aquí.)Ejercicio 2: Opción múltiple
Instrucción: Elige la frase correcta en pretérito imperfecto (ovt) con verbos irregulares, como se usan en conversaciones cotidianas sobre la escuela y el trabajo.
Ejercicio 3: Reescribe las frases
Instrucción: Reescribe las oraciones en pretérito imperfecto (usa la forma irregular correcta del verbo).
-
Ik ben vandaag ziek en ik blijf thuis.⇒ _______________________________________________ ExampleIk was vandaag ziek en ik bleef thuis.(Ik was vandaag ziek en ik bleef thuis.)
-
Wij hebben weinig tijd voor de vergadering.⇒ _______________________________________________ ExampleWij hadden weinig tijd voor de vergadering.(Wij hadden weinig tijd voor de vergadering.)
-
Wat doe jij meestal na je werk?⇒ _______________________________________________ ExampleWat deed jij gisteren na je werk?(Wat deed jij gisteren na je werk?)
-
Wij gaan elke ochtend met de trein naar kantoor.⇒ _______________________________________________ ExampleWij gingen vanochtend met de trein naar kantoor.(Wij gingen vanochtend met de trein naar kantoor.)
Ejercicio 4: Gramática en acción
Instrucción: Habla sobre tu época escolar y pregunta para profundizar en los recuerdos del otro.
- Hoe was jouw basisschool of middelbare school? Wat vond je leuk en moeilijk? (¿Cómo era tu escuela primaria o el instituto? ¿Qué te gustaba y qué te resultaba difícil?)
- Welke leraar of lerares had je vroeger? Wat deed hij/zij dat jij goed of niet goed vond? Moest je vroeger veel huiswerk doen? Wat deed je als je geen zin had? (¿Qué profesor o profesora tenías antes? ¿Qué hacía él/ella que te parecía bien o que no te parecía bien?)
- Toen ik op de basisschool was, had ik goede cijfers. (Cuando estaba en la escuela primaria, sacaba buenas notas.)
- Ik ging elke dag met de fiets naar school. (Iba en bicicleta al colegio todos los días.)
- Ik moest soms veel huiswerk maken en kon soms niet ontspannen. (A veces tenía que hacer muchos deberes y no siempre podía relajarme.)
- onvoltooid verleden tijd van zijn/hebben (pretérito imperfecto de ser/tener)
- onvoltooid verleden tijd van gaan/doen (pretérito imperfecto de ir/hacer)