Tijdsaanduidingen bij onvoltooid verleden tijd (gisteren, vorige week)

Tijdsaanduidingen bij onvoltooid verleden tijd (gisteren, vorige week)


Uitdrukkingen zoals gisteren, vroeger, vorige week helpen het gebruik van de onvoltooid verleden tijd aan te duiden.

Wanneer gebruik je deze tijdsaanduidingen?

Woorden zoals gisteren, vorige week, vroeger en een jaar geleden plaatsen je verhaal duidelijk in het verleden.

  • Resultaat: je gebruikt daarna meestal de onvoltooid verleden tijd (OVT).
    Gisteren werkte ik thuis.
  • Handig voor: vertellen over een periode, gewoonte of situatie in het verleden.
    Vroeger woonde ik in Amsterdam.

De basisregel (in 1 zin)

Tijdsaanduiding in het verleden + werkwoord in de OVT.

Tijdsaanduiding Werkwoord (OVT) Voorbeeld
Gisteren werkte / ging / had Gisteren werkte ik thuis.
Vorige week studeerde / maakte / sprak Vorige week ging ik naar de cursus.
Een jaar geleden begon / kreeg / verhuisde Een jaar geleden begon ik met mijn studie.

Let op: woordvolgorde (waar zet je de tijdsaanduiding?)

  • Vaak vooraan (duidelijk begin van het verhaal):
    Vorige maand studeerde ik af.
  • Ook mogelijk middenin (als extra detail):
    Ik studeerde vorige maand af.
  • Belangrijk: in een normale hoofdzin blijft de volgorde: persoonsvorm op plek 2.

Toen, vroeger, destijds: wat is het verschil?

Woord Gebruik Voorbeeld
toen één moment / specifieke situatie (vaak met bijzin) Toen ik klein was, wilde ik leraar worden.
vroeger vroeger in het leven (gewoonte/periode) Vroeger studeerde hij geneeskunde.
destijds in die periode (formeler, terugverwijzend) Destijds woonde ik in Leiden.
eerder voor dat moment (al eerder) Eerder leerde ik Spaans.

Veelgemaakte fouten (en wat je dan wél doet)

  • Fout: verleden-tijdsaanduiding + tegenwoordige tijd
    Gisteren werk ik thuis.
    Goed: Gisteren werkte ik thuis.
  • Fout: verleden-tijdsaanduiding + toekomst
    Vorige week ga ik naar de cursus.
    Goed: Vorige week ging ik naar de cursus.
  • Let op bij zinnen met “toen” (bijzin):
    Toen ik klein was, wilde ik leraar worden.
    Zelfcheck: staat het werkwoord in de bijzin aan het einde? (ik klein was)

Snelle zelfcheck (voor je op ‘volgende’ klikt)

  1. Is de tijdsaanduiding echt verleden? (gisteren, vorige…, vroeger, destijds, … geleden)
  2. Staat het werkwoord in de OVT? (werkte, ging, had, woonde, begon)
  3. Gebruik je “toen” met een bijzin? Dan: werkwoord in de bijzin achteraan.

Als je 3× “ja” hebt: je zin is grammaticaal goed.

  1. Na deze uitdrukkingen volgt er meestal een werkwoord in de onvoltooid verleden tijd.
TijdsaanduidingVoorbeeld
GisterenGisteren werkte ik thuis.
Vorige weekVorige week ging ik naar de cursus.
Vorige maandVorige maand studeerde ik af.
ToenToen ik klein was, wilde ik leraar worden.
Op zondagOp zondag gingen we wandelen.
EerderEerder leerde ik Spaans.
VroegerVroeger studeerde hij geneeskunde.
DestijdsDestijds woonde ik in Leiden.
Een jaar geledenEen jaar geleden begon ik met mijn studie.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. _______ maakte ik aantekeningen tijdens het college over de masteropleiding.


2. _______ had ik een belangrijk tentamen voor mijn bachelor.


3. _______ liep ik stage aan de universiteit en ontwikkelde ik veel nieuwe vaardigheden.


4. _______ studeerde ik in Nederland; toen woonde ik in een studentenhuis in Utrecht.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin waarin de tijdsaanduiding met de onvoltooid verleden tijd correct is gebruikt.

1.
Na 'gisteren' moet het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd staan; 'werk' is tegenwoordige tijd en daarom fout.
Na 'gisteren' gebruiken we de onvoltooid verleden tijd, niet de toekomende tijd ('zal werken').
2.
'Vorige week' wordt gebruikt met de onvoltooid verleden tijd; de voltooide tijd hier is onjuist.
Na 'vorige week' moet het werkwoord in de onvoltooid verleden tijd staan, niet in de tegenwoordige tijd.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de onvoltooid verleden tijd en gebruik de gegeven tijdsaanduiding (gisteren, vorige week, vroeger, destijds, een jaar geleden, toen).

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Gisteren) Ik werk drie dagen per week thuis.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Gisteren werkte ik drie dagen per week thuis.
  2. Hint Hint (Vorige week) Ik ga elke week naar mijn Nederlandse les.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Vorige week ging ik naar mijn Nederlandse les.
  3. Hint Hint (Vroeger) Ik woon in Amsterdam en ik heb nog geen kinderen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Vroeger woonde ik in Amsterdam en had ik nog geen kinderen.
  4. Hint Hint (Destijds) Ik woon in Rotterdam en ik studeer aan de universiteit.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Destijds woonde ik in Rotterdam en studeerde ik aan de universiteit.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Vertel wat je vorig jaar deed en vraag door naar details.

Situatie
Je praat met een medestudent over jullie studie en stage van vorig jaar.

Bespreek
  • Wat deed je vorig jaar tijdens je studie?
  • Welke cursus of stage volgde je toen en waarom?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Vorige maand volgde ik een college voor mijn bachelor.
  • Een jaar geleden deed ik stage en ontwikkelde ik vaardigheden.
  • Toen zakte ik voor een tentamen, maar later slaagde ik voor mijn diploma.

Gebruik in gesprek
  • Vorig jaar/vorige week + onvoltooid verleden tijd
  • Toen/vroeger + onvoltooid verleden tijd

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 26/03/2026 01:20