Uitdrukkingen zoals gisteren, vroeger, vorige week helpen het gebruik van de onvoltooid verleden tijd aan te duiden.
(Expressions like
- After these expressions, the verb is usually in the onvoltooid verleden tijd.
| Tijdsaanduiding (Time expression) | Voorbeeld (Example) |
|---|---|
| Gisteren (Yesterday) | Gisteren werkte ik thuis. (Yesterday I worked at home.) |
| Vorige week (Last week) | Vorige week ging ik naar de cursus. (Last week I went to the course.) |
| Vorige maand (Last month) | Vorige maand studeerde ik af. (Last month I graduated.) |
| Toen (At that time / Then) | Toen ik klein was, wilde ik leraar worden. (When I was little, I wanted to become a teacher.) |
| Op zondag (On Sundays) | Op zondag gingen we wandelen. (On Sundays we went for a walk.) |
| Eerder (Earlier / Before) | Eerder leerde ik Spaans. (Earlier I learned Spanish.) |
| Vroeger (In the past / Before) | Vroeger studeerde hij geneeskunde. (In the past he studied medicine.) |
| Destijds (At that time / Back then) | Destijds woonde ik in Leiden. (At that time I lived in Leiden.) |
| Een jaar geleden (A year ago) | Een jaar geleden begon ik met mijn studie. (A year ago I started my degree.) |
Exercise 1: Multiple choice
Instruction: Choose the correct answer
1. _______ maakte ik aantekeningen tijdens het college over de masteropleiding.
_______ I took notes during the lecture about the master's programme.)2. _______ had ik een belangrijk tentamen voor mijn bachelor.
_______ I had an important exam for my bachelor's degree.)3. _______ liep ik stage aan de universiteit en ontwikkelde ik veel nieuwe vaardigheden.
_______ I did an internship at the university and developed many new skills.)4. _______ studeerde ik in Nederland; toen woonde ik in een studentenhuis in Utrecht.
_______ I used to study in the Netherlands; at the time I lived in a student house in Utrecht.)Exercise 2: Multiple Choice
Instruction: Choose the correct sentence in which the time expression with the simple past tense is used correctly.
Exercise 3: Rewrite the phrases
Instruction: Rewrite the sentences in the simple past tense and use the given time indication (yesterday, last week, formerly, at the time, a year ago, then).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleGisteren werkte ik drie dagen per week thuis.(Yesterday I worked three days a week from home.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleVorige week ging ik naar mijn Nederlandse les.(Last week I went to my Dutch class.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleVroeger woonde ik in Amsterdam en had ik nog geen kinderen.(I used to live in Amsterdam and didn’t have any children yet.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDestijds woonde ik in Rotterdam en studeerde ik aan de universiteit.(At that time I lived in Rotterdam and was studying at the university.)
Exercise 4: Grammar in action
Instruction: Tell what you did last year and ask follow-up questions about the details.
- Wat deed je vorig jaar tijdens je studie? (What did you do last year while you were studying?)
- Welke cursus of stage volgde je toen en waarom? (Which course or internship did you do then, and why?)
- Vorige maand volgde ik een college voor mijn bachelor. (Last month I attended a lecture for my bachelor’s degree.)
- Een jaar geleden deed ik stage en ontwikkelde ik vaardigheden. (A year ago I did an internship and developed new skills.)
- Toen zakte ik voor een tentamen, maar later slaagde ik voor mijn diploma. (At that time I failed an exam, but later I graduated.)
- Vorig jaar/vorige week + onvoltooid verleden tijd (Last year/last week + simple past)
- Toen/vroeger + onvoltooid verleden tijd (Then/formerly + simple past)