Nederlands B1 module 5: Household management (Household management)

Dit is leermodule 5 van 6 van ons Nederlands B1-lesprogramma. Elke leermodule bevat 6 tot 8 hoofdstukken.

Leerdoelen:

  • gezinsbeheer
  • huisonderhoud
  • Meest voorkomende huishoudelijke administratie

Lessen (7)

B1.31 - Huizen bezichtigen en verhuizen (Huizenkijken en verhuizen)

  • In staat zijn jezelf uit te drukken bij het zoeken naar een nieuwe woonplek
  • Meest voorkomende maandelijkse rekeningen in het huis
  • Praat over verhuizen naar je nieuwe woning
  • Voltooid tegenwoordige toekomende tijd: zal getekend hebben / zal verhuisd zijn naar

B1.32 - Woondecoratie (huisdecoratie)

  • Beschrijf je huis en de inrichting ervan in detail
  • Praat over voorkeuren voor verschillende decoratiestijlen
  • Leg uit welke veranderingen je aan je huis hebt aangebracht
  • had + kunnen / moeten / willen

B1.33 - Schoonmaakdiensten (schoonmaakdiensten)

  • Geavanceerde schoonmaakroutines voor huizen
  • Elektronische apparaten voor schoonmaken
  • Het inhuren van een schoonmaakdienst
  • Voltooid voorwaardelijke tijd: zou(den) gebruikt hebben / zou(den) gegaan zijn

B1.34 - Inbraak (Inbraak)

  • Roep om hulp in geval van nood
  • Huizenbeveiliging en alarmsystemen
  • Gebiedende wijs (uitbreiding)

B1.35 - Zorg contracteren aan huis (Zorg inkopen aan huis)

  • Omgaan met familieproblemen
  • Hoe sociale diensten werken
  • Kinderopvang en zorg voor ouderen
  • Modale werkwoorden: moeten/ kunnen/ mogen + + passief

B1.36 - Dagelijkse financiën en belastingen (Dagelijkse financiën en belastingen)

  • Beheer persoonlijke investeringen
  • Belastingen in het gastland
  • Hoe online bankieren te gebruiken en betalingen te beheren
  • Onderschikkende voegwoorden: hoewel, ondanks dat, terwijl, wanneer, ...

B1.37 - Burgerlijke staat (burgerlijke staat)

  • Vertel over je gezinssituatie
  • Bespreek verschillende soorten relaties
  • Regel uw burgerlijke staat (registratie bij het gemeentehuis of het ondertekenen van formulieren bij de notaris)
  • Passieve tijden: presens, imperfectum, perfectum, plusquamperfectum