Leer belangrijke familiewoorden zoals vader, moeder en broer, en oefen bezittelijke voornaamwoorden als mijn, jouw en zijn in praktische gesprekken over jouw gezin en familie.
Luister- en leesmateriaal
Oefen woordenschat in context met echte materialen.
Woordenschat (24) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Verdeel de woorden in twee groepen: directe familieleden en uitgebreide familieleden.
Directe familieleden
Uitgebreide familieleden
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
De dochter
De dochter
2
Kletsen
Kletsen
3
De broer
De broer
4
Het gezin
Het gezin
5
Praten
Praten
Oefening 5: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf de aangegeven relaties tussen de gezinsleden. (Beschrijf de aangegeven relaties tussen de familieleden.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ____ vaak met mijn familie over ons werk.
2. Jij ____ met je broer over zijn kinderen.
3. Hij ____ graag met zijn zus en haar gezin.
4. Wij ____ vaak met onze ouders over onze familie.
Oefening 8: Mijn familie
Instructie:
Werkwoordschema's
Praten - Praten
Onvoltooid Tegenwoordige Tijd
- Ik praat
- Jij praat
- U praat
- Hij praat
- Zij praat
- Wij praten
- Jullie praten
- Zij praten
Spreken - Spreken
Onvoltooid Tegenwoordige Tijd
- Ik spreek
- Jij spreekt
- U spreekt
- Hij spreekt
- Zij spreekt
- Wij spreken
- Jullie spreken
- Zij spreken
Oefening 9: De bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn,...)
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: De bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn,...)
Toon vertaling Toon antwoordenzijn, mijn, onze, Mijn, jouw, jullie, haar
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
A1.5.2 Grammatica
De bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn,...)
De bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn,...)
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Praten praten Delen Gekopieerd!
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
Nederlands | Nederlands |
---|---|
(ik) praat | (ik) praat |
(jij) praat | (jij) praat |
(hij/zij/het) praat | (hij/zij/het) praat |
(wij) praten | (wij) praten |
(jullie) praten | (jullie) praten |
(zij) praten | (zij) praten |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Nederlands oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Lesoverzicht: Familie
In deze les leer je belangrijke woorden en uitdrukkingen rondom het thema 'Familie' in het Nederlands. Je maakt kennis met directe en uitgebreide familieleden, zoals de vader, de moeder, de oom en de tante. Daarnaast oefen je met het gebruik van bezittelijke voornaamwoorden zoals mijn, jouw en zijn om over familierelaties te praten.
Belangrijkste thema's
- Familierelaties benoemen: Leer de namen van familieleden en onderscheid tussen directe familie (ouders, broers, zussen, kinderen) en uitgebreide familie (tantes, ooms).
- Bezittelijke voornaamwoorden: Gebruik woorden als mijn en jouw om aan te geven van wie iets is binnen de familiecontext.
- Over de familie praten: Maak dialogen waarbij je jouw familie voorstelt, praat over gezinsleden, en vraagt naar de familie van anderen.
Voorbeelden van nuttige woorden en zinnen
- Mijn moeder kookt graag in het weekend.
- Onze kinderen spelen elke middag in de tuin.
- Zijn broer werkt als leraar op een school.
- Wie is jouw broer en hoe oud is hij?
Begrijpen en toepassen van werkwoorden
Je oefent de tegenwoordige tijd van werkwoorden als praten en spreken, die vaak gebruikt worden in gesprekken over familie. Bijvoorbeeld Ik praat vaak met mijn familie en Jij spreekt met je broer.
Dialoog en gespreksoefeningen
De les bevat korte dialogen om situaties na te bootsen, zoals kennismaken of praten bij de buurman over familie. Hierdoor leer je vloeiender praten en begrijp je hoe je woorden in context gebruikt.
Verschillen tussen Nederlands en Duits
Als je spreekt in zowel Nederlands als Duits kan het opvallen dat Nederlandse bezittelijke voornaamwoorden zoals mijn en jouw vaak eenvoudiger worden toegepast dan in het Duits. In het Nederlands verwijzen ze direct naar de bezitter zonder geslachtelijke aanpassing van het zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: mijn moeder (Duits: meine Mutter), het zelfstandig naamwoord blijft onveranderd. Daarnaast wordt er in het Nederlands minder gewerkt met verbuigingen dan in het Duits.
Handige uitdrukkingen om mee te starten:
- Wie is jouw broer?
- Mijn zus woont dichtbij.
- Heb jij kinderen?