A1.5 - Familie
Haal je boekStel jezelf voor en vertel over je familie.
Vraag iemand naar zijn of haar familie. (grootte, structuur, ... )
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig zult hebben.
Een gesprek in de basketclub tussen twee spelers.
Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit of relatie aan, zoals mijn, jouw, zijn.
Breng in de praktijk wat je hebt geleerd.