Leer in deze les de wisselpräpositionen zoals an, auf, in en zwischen, die je gebruikt om precieze plaatsen en richtingen aan te geven met Dativ (wo? – positie) en Akkusativ (wohin? – richting). Ontdek zinnen als „Die Tasse steht neben der Kanne“ en „Ich stelle das Glas in die Spülmaschine“.
Präposition (Prepositie)Dativ (Wo? – Position) (datief (waar? – positie))Akkusativ (Wohin? – Richtung) (Accusatief (Waarheen? – Richting))
an (aan)Die Kanne steht an der Tischkante.Ich stelle die Kanne an die Tischkante.
auf (op)Der Teller liegt auf der Tischdecke.Ich lege den Teller auf die Tischdecke.
hinter (achter)Der Topf steht hinter der Pfanne.Ich stelle den Topf hinter die Pfanne.
in (in)Das Glas steht in der Spülmaschine.Ich stelle das Glas in die Spülmaschine.
neben (naast)Die Tasse steht neben der Kanne.Ich stelle die Tasse neben die Kanne.
über (over)Die Lampe hängt über dem Tisch.Ich hänge die Lampe über den Tisch.
unter (onder)Die Serviette liegt unter dem Besteck.Ich lege die Serviette unter das Besteck.
vor (voor)Das Messer liegt vor dem Teller.Ich lege das Messer vor den Teller.
zwischen (tussen)Die Gabel liegt zwischen dem Löffel und dem Messer.Ich lege die Gabel zwischen den Löffel und das Messer.

Uitzonderingen!

  1. Werkwoorden die altijd met de datief staan: blijven, sein, wonen, zich bevinden
  2. Werkwoorden die altijd met de accusatief staan: bitten um, sich kümmern um, warten auf, sich freuen auf

Oefening 1: Ortspräpositionen mit Akkusativ und Dativ

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

der, den, die, dem

1.
Das Glas steht auf ... Tisch.
(Het glas staat op de tafel.)
2.
Ich lege die Serviette neben ... Teller.
(Ik leg de servet naast het bord.)
3.
Der Teller liegt neben ... Tasse.
(Het bord ligt naast de kop.)
4.
Der Löffel liegt in ... Schüssel.
(De lepel ligt in de kom.)
5.
Ich stelle die Kanne an ... Tischkante.
(Ik zet de kan op de rand van de tafel.)
6.
Ich stelle das Glas auf ... Tisch.
(Ik zet het glas op de tafel.)
7.
Das Messer liegt vor ... Teller.
(Het mes ligt voor het bord.)
8.
Ich hänge die Lampe in ... Raum.
(Ik hang de lamp in de kamer.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich stelle den Teller ___ den Tisch.

(Ik zet de bord ___ de tafel.)

2. Die Tasse steht ___ der Kanne.

(De kop staat ___ de kan.)

3. Ich lege die Serviette ___ das Besteck.

(Ik leg de servet ___ het bestek.)

4. Das Glas steht ___ der Spülmaschine.

(Het glas staat ___ de vaatwasser.)

5. Ich hänge die Lampe ___ den Tisch.

(Ik hang de lamp ___ de tafel.)

6. Die Gabel liegt ___ dem Löffel und dem Messer.

(De vork ligt ___ de lepel en het mes.)

Ortspräpositionen met Akkusativ en Dativ

In deze les leer je hoe je Duitse voorzetsels gebruikt om locaties en richtingen aan te duiden. In het Duits veranderen bepaalde voorzetsels van naamval afhankelijk van of je het hebt over een positie (waar iets is) of een richting (waarheen iets beweegt). Dit noemen we de Wechselpräpositionen.

Basisbegrip: Waar en Waarheen?

Voor het beschrijven van positie (waar iets zich bevindt) gebruik je de datief (Dativ). Voor het aangeven van richting (waarneer iets naartoe gaat) gebruik je de accusatief (Akkusativ). Bijvoorbeeld:

  • Die Kanne steht an der Tischkante. (Dativ) – positie
  • Ich stelle die Kanne an die Tischkante. (Akkusativ) – richting

Belangrijke voorzetsels met voorbeelden

  • an (aan); bijv. Die Kanne steht an der Tischkante.
  • auf (op); bijv. Der Teller liegt auf der Tischdecke.
  • hinter (achter); bijv. Der Topf steht hinter der Pfanne.
  • in (in); bijv. Das Glas steht in der Spülmaschine.
  • neben (naast); bijv. Die Tasse steht neben der Kanne.
  • über (boven); bijv. Die Lampe hängt über dem Tisch.
  • unter (onder); bijv. Die Serviette liegt unter dem Besteck.
  • vor (voor); bijv. Das Messer liegt vor dem Teller.
  • zwischen (tussen); bijv. Die Gabel liegt zwischen dem Löffel und dem Messer.

Verben met vaste naamvalgebruik

Sommige werkwoorden gaan altijd met datief, omdat ze een toestand aangeven:

  • bleiben (blijven)
  • sein (zijn)
  • wohnen (wonen)
  • sich befinden (zich bevinden)

Andere werkwoorden gebruiken altijd de accusatief en drukken vaak beweging of gerichtheid uit:

  • bitten um (vragen om)
  • sich kümmern um (zich bekommeren om)
  • warten auf (wachten op)
  • sich freuen auf (zich verheugen op)

Verschillen tussen Nederlands en Duits

In het Nederlands gebruik je vaak voorzetsels zonder naamvalsverandering. Het Duitse systeem kent een strikt onderscheid tussen positie (Dativ) en richting (Akkusativ), wat in het Nederlands minder zichtbaar is. Bijvoorbeeld:

  • Duits: Ich lege den Teller auf den Tisch. (richting = Akkusativ)
  • Nederlands: Ik leg het bord op de tafel. (geen naamval)

Daarnaast zijn sommige voorzetsels in het Duits veelzijdiger en beïnvloeden ze altijd de naamval, terwijl dit in het Nederlands niet het geval is.

Nuttige woorden en uitdrukkingen

  • an der Tischkante – aan de rand van de tafel
  • auf dem Tisch – op de tafel
  • in der Spülmaschine – in de vaatwasser
  • neben der Kanne – naast de kan
  • über dem Tisch – boven de tafel
  • zwischen dem Löffel und dem Messer – tussen de lepel en het mes

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 17/07/2025 22:37