A1.18 - Dingen vragen
Dingen vragen
1. Taalonderdompeling
A1.18.1 Activiteit
De kunst van vragen stellen
3. Grammatica
A1.18.2 Grammatica
De uitspraak van ui, ou, eu, oe
Belangrijk werkwoord
Vragen (vragen)
Belangrijk werkwoord
Antwoorden (antwoorden)
Belangrijk werkwoord
Willen (willen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
WhatsApp-bericht: Je krijgt een WhatsApp-bericht van een collega over werken in een coworkingruimte; antwoord en stel ook zelf een of twee vragen.
Hoi [naam],
Volgende week wil ik in een coworking space werken. Ik twijfel tussen werken thuis of daar.
Wanneer kun jij werken? Maandag of donderdag? En hoeveel uur wil jij daar zitten?
Waar wil jij zitten? Dicht bij de deur of liever rustig achterin?
Laat je het me weten? Dan reserveer ik een bureau.
Groet,
Jochem
Hoi [naam],
Volgende week wil ik in een coworking space werken. Ik twijfel tussen werken thuis of daar.
Wanneer kun jij werken? Maandag of donderdag? En hoeveel uur wil jij daar zitten?
Waar wil jij zitten? Dicht bij de deur of liever rustig achterin?
Laat je het me weten? Dan reserveer ik een bureau.
Groet,
Jochem
Begrijp de tekst:
-
Op welke twee dagen vraagt Jochem of jij kunt werken?
-
Welke twee opties geeft Jochem voor de plek waar je kunt zitten?
Nuttige zinnen:
-
Hoi Jochem, bedankt voor je bericht.
-
Ik kan op ... en ik wil ... uur werken.
-
Ik wil graag zitten bij ... omdat ...
Ik kan donderdag werken. Ik wil vier uur in de coworking space zitten, van 9.00 tot 13.00.
Ik wil graag rustig zitten, niet bij de deur. Werk jij ook op donderdag? En wat is het wifi-wachtwoord?
Laat je het weten? Tot dan!
Groet,
[je naam]
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Waar ___ jij en welke straatnaam vul je hier in?
2. Welke vraag ___ je als je het antwoord niet weet?
3. Waarom ___ jij nu al naar huis?
4. ___ u alstublieft op deze vraag over uw nieuwe buurt.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
In de supermarkt om hulp vragen
Klant: Show Hallo, waar staat de koffie?
Supermarktmedewerker: Show De koffie staat daar, in gang drie.
Klant: Show Dank je. Hoeveel kost deze koffie?
Supermarktmedewerker: Show Deze kost zes euro per pak.
Open vragen:
1. Wat vraag je meestal in de supermarkt?
2. Hoeveel betaal jij meestal voor koffie?
Koffie-afspraak met een collega
Sander (collega): Show Hoi Lina, ik wil even koffie drinken. Wanneer kun jij?
Lina (collega): Show Morgen om tien uur kan ik. Is dat goed?
Sander (collega): Show Ja, dat is goed. Waar spreken we af?
Lina (collega): Show Laten we in de kantine afspreken, waarom niet daar?
Open vragen:
1. Wanneer drink jij meestal koffie op je werk?
2. Waar spreek jij graag af met collega’s?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent nieuw op je werk. Een collega gaat naar een vergadering en jij weet niet in welke kamer de vergadering is. Vraag dit aan je collega. (Gebruik: waar?, de kamer, de vergadering)
Waar is
Voorbeeld:
Waar is de vergadering?
2. Je wilt na het werk iets drinken met een vriend. Je wilt weten op welke dag of welk moment hij tijd heeft. Stel een vraag. (Gebruik: wanneer?, tijd hebben, na het werk)
Wanneer heb
Voorbeeld:
Wanneer heb jij tijd na het werk?
3. Je staat in de supermarkt. Je ziet brood, maar je zoekt ook melk. Vraag aan een medewerker in welk gangpad de melk staat. (Gebruik: waarheen?, de melk, de supermarkt)
Waarheen moet
Voorbeeld:
Waarheen moet ik gaan voor de melk?
4. Je reserveert een tafel in een restaurant voor jou en je partner. Je wilt weten hoeveel personen aan één tafel kunnen zitten. Stel een vraag aan de medewerker. (Gebruik: hoeveel?, de tafel, personen)
Hoeveel personen
Voorbeeld:
Hoeveel personen kunnen aan deze tafel zitten?
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 korte vragen die jij in een nieuwe coworking space of op je nieuwe werk zou stellen; gebruik waar, wanneer, hoe of hoeveel.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik wil graag weten... / Waar is ...? / Wanneer begint ...? / Hoeveel kost ...?
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Maak een zin die bij de afbeelding past, gebruik een vraag. (Maak een zin die bij de afbeelding past, met een vraag.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Hoeveel is de rekening? |
|
Wat zeg je? |
|
Welke wil je? |
|
Waar moeten we heen? |
|
Wat is jouw baan? |
|
Welke taal spreek je? |
| ... |