1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (11)

Het antwoord

Het antwoord Show

Het antwoord Show

Vragen

Vragen Show

Vragen Show

Antwoorden

Antwoorden Show

Antwoorden Show

Willen

Willen Show

Willen Show

Waar?

Waar? Show

Waar? Show

Waarheen?

Waarheen? Show

Waarheen? Show

Wat?

Wat? Show

Wat? Show

Waarom?

Waarom? Show

Waarom? Show

Wanneer?

Wanneer? Show

Wanneer? Show

Hoe?

Hoe? Show

Hoe? Show

Hoeveel?

Hoeveel? Show

Hoeveel? Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Vragen (vragen)

Belangrijk werkwoord

Antwoorden (antwoorden)

Belangrijk werkwoord

Willen (willen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

WhatsApp-bericht: Je krijgt een WhatsApp-bericht van een collega over werken in een coworkingruimte; antwoord en stel ook zelf een of twee vragen.


Hoi [naam],

Volgende week wil ik in een coworking space werken. Ik twijfel tussen werken thuis of daar.

Wanneer kun jij werken? Maandag of donderdag? En hoeveel uur wil jij daar zitten?

Waar wil jij zitten? Dicht bij de deur of liever rustig achterin?

Laat je het me weten? Dan reserveer ik een bureau.

Groet,
Jochem


Hoi [naam],

Volgende week wil ik in een coworking space werken. Ik twijfel tussen werken thuis of daar.

Wanneer kun jij werken? Maandag of donderdag? En hoeveel uur wil jij daar zitten?

Waar wil jij zitten? Dicht bij de deur of liever rustig achterin?

Laat je het me weten? Dan reserveer ik een bureau.

Groet,
Jochem


Begrijp de tekst:

  1. Op welke twee dagen vraagt Jochem of jij kunt werken?

  2. Welke twee opties geeft Jochem voor de plek waar je kunt zitten?

Nuttige zinnen:

  1. Hoi Jochem, bedankt voor je bericht.

  2. Ik kan op ... en ik wil ... uur werken.

  3. Ik wil graag zitten bij ... omdat ...

Hoi Jochem, bedankt voor je bericht.

Ik kan donderdag werken. Ik wil vier uur in de coworking space zitten, van 9.00 tot 13.00.

Ik wil graag rustig zitten, niet bij de deur. Werk jij ook op donderdag? En wat is het wifi-wachtwoord?

Laat je het weten? Tot dan!

Groet,
[je naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Waar is het antwoord op mijn vraag?
Hoeveel wil je voor dit boek betalen?
Wanneer antwoordt de docent op onze e-mail?
Waarom wil je naar dat koude huis?

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Waar ___ jij en welke straatnaam vul je hier in?


2. Welke vraag ___ je als je het antwoord niet weet?


3. Waarom ___ jij nu al naar huis?


4. ___ u alstublieft op deze vraag over uw nieuwe buurt.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent nieuw op je werk. Een collega gaat naar een vergadering en jij weet niet in welke kamer de vergadering is. Vraag dit aan je collega. (Gebruik: waar?, de kamer, de vergadering)

Waar is  

Voorbeeld:

Waar is de vergadering?

2. Je wilt na het werk iets drinken met een vriend. Je wilt weten op welke dag of welk moment hij tijd heeft. Stel een vraag. (Gebruik: wanneer?, tijd hebben, na het werk)

Wanneer heb  

Voorbeeld:

Wanneer heb jij tijd na het werk?

3. Je staat in de supermarkt. Je ziet brood, maar je zoekt ook melk. Vraag aan een medewerker in welk gangpad de melk staat. (Gebruik: waarheen?, de melk, de supermarkt)

Waarheen moet  

Voorbeeld:

Waarheen moet ik gaan voor de melk?

4. Je reserveert een tafel in een restaurant voor jou en je partner. Je wilt weten hoeveel personen aan één tafel kunnen zitten. Stel een vraag aan de medewerker. (Gebruik: hoeveel?, de tafel, personen)

Hoeveel personen  

Voorbeeld:

Hoeveel personen kunnen aan deze tafel zitten?

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 korte vragen die jij in een nieuwe coworking space of op je nieuwe werk zou stellen; gebruik waar, wanneer, hoe of hoeveel.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik wil graag weten... / Waar is ...? / Wanneer begint ...? / Hoeveel kost ...?

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Maak een zin die bij de afbeelding past, gebruik een vraag. (Maak een zin die bij de afbeelding past, met een vraag.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Hoeveel is de rekening?

Wat zeg je?

Welke wil je?

Waar moeten we heen?

Wat is jouw baan?

Welke taal spreek je?

...