A1.19 - Prijzen en geld
Prijzen en geld
1. Taalonderdompeling
A1.19.1 Activiteit
Op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam
3. Grammatica
A1.19.2 Grammatica
Bijwoorden van hoeveelheid (veel, weinig, genoeg,...)
Belangrijk werkwoord
Betalen (betalen)
Belangrijk werkwoord
Verkopen (verkopen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Folder van de supermarkt
Woorden om te gebruiken: betalen, korting, Dirk, koffie, bon, appels, portemonnee, goedkoop, contant, pinpas
(Folder van de supermarkt)
Deze week heeft supermarkt een actie. In de folder staat: twee pakken voor 7,50 euro. Normaal kost één pak 5 euro. Er is dus . Een kilo kost 2,20 euro. Bananen zijn : 1,50 euro per kilo.
Bij de kassa kun je op verschillende manieren . Je kunt met betalen of met geld uit je . Contactloos betalen gaat snel. De kassamedewerker geeft je altijd een . Op de bon zie je de prijs van alle producten en de totaalprijs. Zo controleer je of je genoeg geld hebt betaald.
-
Wat koop jij vaak in de supermarkt en waarom?
-
Hoe betaal jij meestal in de supermarkt: contant of met pinpas? Leg uit.
-
Waarom is de bon handig na het afrekenen in de supermarkt?
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ contant, want ik heb veel muntgeld in mijn portemonnee.
2. U ___ weinig voor deze broek, want er is vandaag veel korting.
3. De winkel ___ veel goedkope producten, maar hij ___ ook duurdere tassen.
4. Ik ___ niets online, ik betaal alles in de winkel met mijn pinpas.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Boodschappen doen bij de Albert Heijn
Klant: Show Hallo, wat is de prijs van deze kaas?
Caissière: Show Dat is vijf euro vijftig, alstublieft.
Klant: Show Oké, dat is goed, ik betaal met de kaart.
Caissière: Show Dank u, de betaling is gelukt, hier is de rekening.
Open vragen:
1. Hoe betaal jij meestal in de supermarkt: met kaart of contant geld?
2. Wat koop jij vaak in de winkel, en is het goedkoop of duur?
Broeken passen in een kledingwinkel
Klant: Show Hallo, hoeveel kost deze broek?
Verkoper: Show Die broek is veertig euro, maar vandaag is er tien euro korting.
Klant: Show Ah, mooi, dan is het dertig euro, ik betaal contant geld.
Verkoper: Show Prima, dank u wel, hier is uw wisselgeld en de rekening.
Open vragen:
1. Koop jij liever goedkope of dure kleren? Waarom?
2. Wanneer vraag jij om korting in een winkel?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je staat in een kledingwinkel in de stad. Je ziet een broek, maar je weet de prijs niet. Vraag de verkoper naar de prijs. (Gebruik: de prijs, de euro, alstublieft)
Wat is de
Voorbeeld:
Wat is de prijs van deze broek, alstublieft?
2. Je koopt een kop koffie in de kantine op je werk. Je wilt met contant geld betalen. Zeg hoe je wilt betalen. (Gebruik: contant geld, betalen, de euro)
Ik wil
Voorbeeld:
Ik wil met contant geld betalen.
3. Je bent bij de kassa in de supermarkt. De kassamedewerker zegt de prijs. Jij wilt met je bankpas betalen. Zeg dat je met de kaart betaalt. (Gebruik: de kaart, betalen, alstublieft)
Ik betaal
Voorbeeld:
Ik betaal met de kaart, alstublieft.
4. Je koopt een boek in een winkel. Op het bord staat: ‘10% korting’. Vraag of er korting is op het boek. (Gebruik: de korting, de prijs, krijgen)
Krijg ik
Voorbeeld:
Krijg ik korting op dit boek?
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij boodschappen doet en hoe je meestal betaalt in de supermarkt in je dagelijkse leven.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik koop vaak … / Meestal betaal ik met … / De prijs is … euro per … / Dat vind ik goedkoop/duur, omdat …
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Stel je voor dat je op de markt bent. Wat zou je willen kopen? Hoe betaal je? (Stel je voor dat je op de markt bent. Wat zou je willen kopen? Hoe betaal je?)
- Noem en bespreek de prijzen. Is het goedkoop of duur? Vraag om korting. (Noem en bespreek de prijzen. Is het goedkoop of duur? Vraag om een korting.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Ik wil wat brood en appels kopen. |
|
Ik wil niets kopen. |
|
De sinaasappels zijn behoorlijk duur. |
|
De uien zijn goedkoop. |
|
Kan ik contant betalen of met pin? |
|
Is er een korting op de groenten? |
|
Hoeveel kosten de sinaasappels? |
|
De appels kosten drie euro vijftig. |
| ... |