1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (16)

De euro

De euro Show

De euro Show

Het contant geld

Het contant geld Show

Contant geld Show

Het geld

Het geld Show

Geld Show

De kaart

De kaart Show

Betaalkaart Show

De portemonnee

De portemonnee Show

Portemonnee Show

De prijs

De prijs Show

Prijs Show

De korting

De korting Show

Korting Show

De rekening

De rekening Show

Rekening Show

De winkel

De winkel Show

Winkel Show

Gratis

Gratis Show

Gratis Show

Goedkoop

Goedkoop Show

Goedkoop Show

Duur

Duur Show

Duur Show

Kosten

Kosten Show

Kosten Show

Betalen

Betalen Show

Betalen Show

Kopen

Kopen Show

Kopen Show

Verkopen

Verkopen Show

Verkopen Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Folder van de supermarkt

Woorden om te gebruiken: betalen, korting, Dirk, koffie, bon, appels, portemonnee, goedkoop, contant, pinpas

(Folder van de supermarkt)

Deze week heeft supermarkt een actie. In de folder staat: twee pakken voor 7,50 euro. Normaal kost één pak 5 euro. Er is dus . Een kilo kost 2,20 euro. Bananen zijn : 1,50 euro per kilo.

Bij de kassa kun je op verschillende manieren . Je kunt met betalen of met geld uit je . Contactloos betalen gaat snel. De kassamedewerker geeft je altijd een . Op de bon zie je de prijs van alle producten en de totaalprijs. Zo controleer je of je genoeg geld hebt betaald.

  1. Wat koop jij vaak in de supermarkt en waarom?

  2. Hoe betaal jij meestal in de supermarkt: contant of met pinpas? Leg uit.

  3. Waarom is de bon handig na het afrekenen in de supermarkt?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Hoeveel kost deze koffie, met korting voor studenten?
Ik betaal de rekening met mijn pinpas, geen cash.
Heb je genoeg geld in je portemonnee vandaag?
Deze laptop is duur, maar de service is goed.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ contant, want ik heb veel muntgeld in mijn portemonnee.


2. U ___ weinig voor deze broek, want er is vandaag veel korting.


3. De winkel ___ veel goedkope producten, maar hij ___ ook duurdere tassen.


4. Ik ___ niets online, ik betaal alles in de winkel met mijn pinpas.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je staat in een kledingwinkel in de stad. Je ziet een broek, maar je weet de prijs niet. Vraag de verkoper naar de prijs. (Gebruik: de prijs, de euro, alstublieft)

Wat is de  

Voorbeeld:

Wat is de prijs van deze broek, alstublieft?

2. Je koopt een kop koffie in de kantine op je werk. Je wilt met contant geld betalen. Zeg hoe je wilt betalen. (Gebruik: contant geld, betalen, de euro)

Ik wil  

Voorbeeld:

Ik wil met contant geld betalen.

3. Je bent bij de kassa in de supermarkt. De kassamedewerker zegt de prijs. Jij wilt met je bankpas betalen. Zeg dat je met de kaart betaalt. (Gebruik: de kaart, betalen, alstublieft)

Ik betaal  

Voorbeeld:

Ik betaal met de kaart, alstublieft.

4. Je koopt een boek in een winkel. Op het bord staat: ‘10% korting’. Vraag of er korting is op het boek. (Gebruik: de korting, de prijs, krijgen)

Krijg ik  

Voorbeeld:

Krijg ik korting op dit boek?

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij boodschappen doet en hoe je meestal betaalt in de supermarkt in je dagelijkse leven.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik koop vaak … / Meestal betaal ik met … / De prijs is … euro per … / Dat vind ik goedkoop/duur, omdat …

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Stel je voor dat je op de markt bent. Wat zou je willen kopen? Hoe betaal je? (Stel je voor dat je op de markt bent. Wat zou je willen kopen? Hoe betaal je?)
  2. Noem en bespreek de prijzen. Is het goedkoop of duur? Vraag om korting. (Noem en bespreek de prijzen. Is het goedkoop of duur? Vraag om een korting.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Ik wil wat brood en appels kopen.

Ik wil niets kopen.

De sinaasappels zijn behoorlijk duur.

De uien zijn goedkoop.

Kan ik contant betalen of met pin?

Is er een korting op de groenten?

Hoeveel kosten de sinaasappels?

De appels kosten drie euro vijftig.

...