2. Woordenschat (16)

De markt

De markt Show

De markt Show

De supermarkt

De supermarkt Show

De supermarkt Show

De kassa

De kassa Show

De kassa Show

Het winkelkarretje

Het winkelkarretje Show

Het winkelkarretje Show

De boodschappenlijst

De boodschappenlijst Show

De boodschappenlijst Show

Het fruit

Het fruit Show

Het fruit Show

De groente

De groente Show

De groente Show

Het vlees

Het vlees Show

Het vlees Show

De vis

De vis Show

De vis Show

De yoghurt

De yoghurt Show

De yoghurt Show

Koekjes

Koekjes Show

Koekjes Show

De cassière

De cassière Show

De cassière Show

Boodschappen doen

Boodschappen doen Show

Boodschappen doen Show

Winkelen

Winkelen Show

Winkelen Show

Aanbieden

Aanbieden Show

Aanbieden Show

Nodig hebben

Nodig hebben Show

Nodig hebben Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Kopen (kopen)

Belangrijk werkwoord

Winkelen (winkelen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

WhatsApp-bericht: Je krijgt een WhatsApp-bericht van je Nederlandse huisgenoot over de weekendboodschappen; reageer met een boodschappenlijst en stel één vraag over een product in de supermarkt.


Hoi,

Ik ga straks naar de supermarkt en de markt. We hebben bijna geen eten en drinken meer.

Ik koop sowieso:

  • melk en yoghurt
  • brood
  • groente en fruit

Wil jij ook iets? Stuur mij jouw boodschappenlijst. Denk aan het avondeten voor zaterdag en zondag.

Moet ik nog vlees of vis meenemen? En wil je nog koekjes of cola?

Groet,
Mark


Hoi,

Ik ga straks naar de supermarkt en de markt. We hebben bijna geen eten en drinken meer.

Ik koop sowieso:

  • melk en yoghurt
  • brood
  • groente en fruit

Wil jij ook iets? Stuur mij jouw boodschappenlijst. Denk aan het avondeten voor zaterdag en zondag.

Moet ik nog vlees of vis meenemen? En wil je nog koekjes of cola?

Groet,
Mark


Begrijp de tekst:

  1. Wat gaat Mark kopen in de supermarkt? Noem twee dingen.

  2. Wat vraagt Mark aan jou over vlees, vis en snacks?

Nuttige zinnen:

  1. Ik wil graag …

  2. Neem je ook … mee?

  3. Voor het avondeten heb ik nodig: …

Hoi Mark,

Dank je. Voor mij graag:
- pasta
- tomaten en komkommer
- kip (vlees)
- één pak yoghurt
- één pak koekjes

Voor het avondeten heb ik nodig: pasta, tomaten en kip.

Neem je ook een fles Spa rood mee? Is de zalm misschien in de aanbieding? Zo niet, dan hoef ik geen vis.

Groet,
Ana

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik heb vandaag veel groente nodig voor het diner.
Staat de yoghurt bij het vlees of bij het fruit?
Waar kan ik een winkelkarretje pakken in de supermarkt?
Bij de kassa betaal ik en geef ik mijn bonuskaart.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ elke zaterdag groente en fruit in de supermarkt.


2. Wij ___ vandaag brood en yoghurt, want de koelkast is leeg.


3. Mijn vriendin ___ graag op de markt voor verse vis en vlees.


4. In het weekend ___ we samen en maken we daarna een boodschappenlijst.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je werkt thuis en hebt weinig tijd. In de pauze ga je snel naar de supermarkt. Je wilt een gezond ontbijt kopen, maar je ziet de yoghurt niet. Vraag de cassière waar de yoghurt staat. (Gebruik: De cassière, De yoghurt, nodig hebben)

Ik zoek  

Voorbeeld:

Ik zoek de yoghurt. Kunt u mij helpen?

2. Je partner is op je werk en stuurt een bericht: ‘Kun jij na het werk boodschappen doen?’ Schrijf één zin terug en zeg dat je een boodschappenlijst maakt. (Gebruik: De boodschappenlijst, boodschappen doen, nodig hebben)

Ik maak  

Voorbeeld:

Ik maak een boodschappenlijst en dan ga ik boodschappen doen.

3. Je bent op de markt in de stad. Je wilt groente kopen voor het avondeten. Vraag aan de marktverkoper waar de groente staat en zeg wat je nodig hebt. (Gebruik: De markt, De groente, nodig hebben)

Ik heb  

Voorbeeld:

Ik heb groente nodig voor het avondeten. Waar staat de groente?

4. Je bent in de supermarkt met een collega in de pauze. Jullie willen koekjes bij de koffie op kantoor. Zeg welke koekjes je wilt en dat jij ze betaalt aan de kassa. (Gebruik: De koekjes, De kassa, winkelen)

Ik wil  

Voorbeeld:

Ik wil de koekjes met chocolade. Ik betaal ze zo bij de kassa.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij meestal boodschappen doet voor eten en drinken (waar, wanneer en wat je koopt).

Nuttige uitdrukkingen:

Ik doe boodschappen bij ... / Meestal koop ik ... / Ik heb nodig voor het avondeten ... / Ik betaal bij de kassa met ...

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Beschrijf de items op de boodschappenlijst. (Beschrijf de items op het boodschappenlijstje.)
  2. Vraag de winkelmedewerker naar de locatie van de producten. (Vraag de winkelmedewerker naar de locatie van de producten.)
  3. Betaal voor uw producten bij de kassa. (Betaal voor uw producten bij de kassa.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Waar is / zijn ...?

Kunt u mij even helpen, alstublieft?

Mag ik een bonnetje?

Is dit product in de aanbieding?

Kan ik contant betalen / met pinpas?

Heb je een tas?

Is deze prijs correct?

Kan ik u helpen?

...