A1.20 - Boodschappen doen
Boodschappen doen
1. Taalonderdompeling
A1.20.1 Activiteit
Boodschappen doen voor het avondeten
3. Grammatica
A1.20.2 Grammatica
Uitspraak van 'e', 'ee' en 'e'
Belangrijk werkwoord
Kopen (kopen)
Belangrijk werkwoord
Winkelen (winkelen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
WhatsApp-bericht: Je krijgt een WhatsApp-bericht van je Nederlandse huisgenoot over de weekendboodschappen; reageer met een boodschappenlijst en stel één vraag over een product in de supermarkt.
Hoi,
Ik ga straks naar de supermarkt en de markt. We hebben bijna geen eten en drinken meer.
Ik koop sowieso:
- melk en yoghurt
- brood
- groente en fruit
Wil jij ook iets? Stuur mij jouw boodschappenlijst. Denk aan het avondeten voor zaterdag en zondag.
Moet ik nog vlees of vis meenemen? En wil je nog koekjes of cola?
Groet,
Mark
Hoi,
Ik ga straks naar de supermarkt en de markt. We hebben bijna geen eten en drinken meer.
Ik koop sowieso:
- melk en yoghurt
- brood
- groente en fruit
Wil jij ook iets? Stuur mij jouw boodschappenlijst. Denk aan het avondeten voor zaterdag en zondag.
Moet ik nog vlees of vis meenemen? En wil je nog koekjes of cola?
Groet,
Mark
Begrijp de tekst:
-
Wat gaat Mark kopen in de supermarkt? Noem twee dingen.
-
Wat vraagt Mark aan jou over vlees, vis en snacks?
Nuttige zinnen:
-
Ik wil graag …
-
Neem je ook … mee?
-
Voor het avondeten heb ik nodig: …
Dank je. Voor mij graag:
- pasta
- tomaten en komkommer
- kip (vlees)
- één pak yoghurt
- één pak koekjes
Voor het avondeten heb ik nodig: pasta, tomaten en kip.
Neem je ook een fles Spa rood mee? Is de zalm misschien in de aanbieding? Zo niet, dan hoef ik geen vis.
Groet,
Ana
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ elke zaterdag groente en fruit in de supermarkt.
2. Wij ___ vandaag brood en yoghurt, want de koelkast is leeg.
3. Mijn vriendin ___ graag op de markt voor verse vis en vlees.
4. In het weekend ___ we samen en maken we daarna een boodschappenlijst.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Boodschappen doen na het werk
Klant: Show Goedemiddag, ik heb deze boodschappenlijst, maar ik kan de yoghurt niet vinden.
Supermarktmedewerker: Show Goedemiddag, de yoghurt staat daar, naast het vlees en de vis.
Klant: Show Dank u, ik heb ook fruit en groente nodig, zijn er aanbiedingen?
Supermarktmedewerker: Show Ja, de appels en tomaten zijn vandaag in de aanbieding.
Open vragen:
1. Wat staat op jouw boodschappenlijst voor vandaag?
2. Wat vraag jij vaak aan een medewerker in de supermarkt?
Bij de kassa met een volle kar
Cassière: Show Goedemorgen, heeft u alles gevonden in de supermarkt?
Klant: Show Ja, dank u, ik heb veel boodschappen gedaan, de kar is vol met groente, vlees en koekjes.
Cassière: Show Mooi zo, dan scan ik alles en dan kunt u bij de kassa pinnen.
Klant: Show Prima, hier is mijn tas, ik heb de boodschappen echt nodig voor dit weekend.
Open vragen:
1. Wat koop jij vaak als je veel boodschappen doet?
2. Ga jij liever naar de supermarkt of naar de markt, en waarom?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je werkt thuis en hebt weinig tijd. In de pauze ga je snel naar de supermarkt. Je wilt een gezond ontbijt kopen, maar je ziet de yoghurt niet. Vraag de cassière waar de yoghurt staat. (Gebruik: De cassière, De yoghurt, nodig hebben)
Ik zoek
Voorbeeld:
Ik zoek de yoghurt. Kunt u mij helpen?
2. Je partner is op je werk en stuurt een bericht: ‘Kun jij na het werk boodschappen doen?’ Schrijf één zin terug en zeg dat je een boodschappenlijst maakt. (Gebruik: De boodschappenlijst, boodschappen doen, nodig hebben)
Ik maak
Voorbeeld:
Ik maak een boodschappenlijst en dan ga ik boodschappen doen.
3. Je bent op de markt in de stad. Je wilt groente kopen voor het avondeten. Vraag aan de marktverkoper waar de groente staat en zeg wat je nodig hebt. (Gebruik: De markt, De groente, nodig hebben)
Ik heb
Voorbeeld:
Ik heb groente nodig voor het avondeten. Waar staat de groente?
4. Je bent in de supermarkt met een collega in de pauze. Jullie willen koekjes bij de koffie op kantoor. Zeg welke koekjes je wilt en dat jij ze betaalt aan de kassa. (Gebruik: De koekjes, De kassa, winkelen)
Ik wil
Voorbeeld:
Ik wil de koekjes met chocolade. Ik betaal ze zo bij de kassa.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij meestal boodschappen doet voor eten en drinken (waar, wanneer en wat je koopt).
Nuttige uitdrukkingen:
Ik doe boodschappen bij ... / Meestal koop ik ... / Ik heb nodig voor het avondeten ... / Ik betaal bij de kassa met ...
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf de items op de boodschappenlijst. (Beschrijf de items op het boodschappenlijstje.)
- Vraag de winkelmedewerker naar de locatie van de producten. (Vraag de winkelmedewerker naar de locatie van de producten.)
- Betaal voor uw producten bij de kassa. (Betaal voor uw producten bij de kassa.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Waar is / zijn ...? |
|
Kunt u mij even helpen, alstublieft? |
|
Mag ik een bonnetje? |
|
Is dit product in de aanbieding? |
|
Kan ik contant betalen / met pinpas? |
|
Heb je een tas? |
|
Is deze prijs correct? |
|
Kan ik u helpen? |
| ... |