1. Taalonderdompeling
A1.21.1 Activiteit
Advies vragen in de kledingwinkel
3. Grammatica
A1.21.2 Grammatica
Persoonlijke voornaamwoorden: voorwerp (mij, jou, hem,...)
Belangrijk werkwoord
Passen (passen)
Belangrijk werkwoord
Dragen (dragen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Folder: Nieuwe kledingwinkel op de Zuidas
Woorden om te gebruiken: overhemd, maat, kledingwinkel, kleding, schoenen, spijkerbroeken, truien, pak
(Folder: Nieuwe kledingwinkel op de Zuidas)
Deze week opent ModePlein een nieuwe op de Zuidas in Amsterdam. In de winkel vindt u nette voor op kantoor, zoals een , een , broeken en . Er is ook casual kleding, zoals T-shirts, en . De winkel is open van maandag tot en met zaterdag, van 9.00 tot 19.00 uur.
In de winkel helpt een medewerker u met uw . U zegt welke maat u meestal draagt en hij of zij zoekt kleding voor u. U kunt de kleding passen in de paskamer en vragen: “Hoe staat het mij?” of “Heeft u deze broek in een andere maat?” Op de website staat een maattabel, zodat u thuis al kunt kijken welke maat u nodig heeft.
-
Waarom is deze winkel handig voor iemand die op kantoor werkt?
-
Welke soorten kleding kunt u in deze winkel kopen? Noem twee voorbeelden.
-
Hoe helpt de medewerker u in de winkel met de maat?
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ de broek in het pashokje, hij past mij goed.
2. Welke maat ___ jij normaal als je een spijkerbroek koopt?
3. De verkoopster ___ de jas voor hem en zegt dat de maat hem goed past.
4. Wij ___ deze schoenen vaak naar kantoor omdat ze ons heel comfortabel zitten.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent in een kledingwinkel in de lunchpauze. Je zoekt een nette broek voor op je werk. Vraag aan de verkoper of de broek er is in jouw maat. (Gebruik: De broek, De maat, Passen)
Ik zoek
Voorbeeld:
Ik zoek de broek in maat 40. Kan ik die even passen?
2. Je gaat in het weekend met vrienden naar een café. Je wilt een T-shirt kopen. Vraag in de winkel of ze het T-shirt hebben in jouw maat. (Gebruik: Het T-shirt, De maat, Dragen)
Heeft u
Voorbeeld:
Heeft u het T-shirt in maat M? Die maat draag ik meestal.
3. Het is winter en je fietst elke dag naar je werk. Je hebt het erg koud. In de winkel vraag je om een warme trui. (Gebruik: De trui, Warm, Dragen)
Ik wil graag
Voorbeeld:
Ik wil graag een warme trui voor op de fiets. Ik draag nu alleen een dun T-shirt.
4. Je hebt een sollicitatiegesprek. Je wilt een pak kopen in een winkel. Vraag of je het pak even mag passen. (Gebruik: Het pak, Passen, De maat)
Mag ik
Voorbeeld:
Mag ik het pak even passen? Ik weet niet of de maat goed is.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over waar jij meestal kleding koopt en hoe je in de winkel naar jouw maat en stijl vraagt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik koop mijn kleding meestal bij... / Ik draag op mijn werk vaak... / Kunt u mij helpen met de maat? / Heeft u dit ook in een andere kleur of maat?
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Zeg wie wat draagt. (Zeg wie wat draagt.)
- Beschrijf wat je draagt. (Beschrijf wat je draagt.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten