A1.23 - Het uiterlijk
Het uiterlijk
1. Taalonderdompeling
A1.23.1 Activiteit
Zorgen over het uiterlijk
3. Grammatica
A1.23.2 Grammatica
Bijvoeglijke naamwoorden
Belangrijk werkwoord
Lijken (lijken)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Nieuwe collega bij de receptie
Woorden om te gebruiken: bruin, bril, mooi, vriendelijke, lijkt, dik, baard, lange, slank
(Nieuwe collega bij de receptie)
Bij de receptie van een kantoor hangt een korte beschrijving van een nieuwe collega.
“Dit is onze nieuwe manager, Tom. Hij is een man en hij is niet , maar . Tom heeft kort haar en een kleine . Hij draagt vaak een zwarte . Hij een beetje op de directeur, maar de directeur is ouder en heeft grijs haar. Tom is een en rustige man. Hij heeft een , open gezicht en een brede lach. Zo kunt u hem makkelijk herkennen in het kantoor.”
-
Hoe ziet Tom eruit? Noem twee dingen uit de tekst.
-
Waarmee kun je Tom goed herkennen in het kantoor?
-
Op wie lijkt Tom een beetje, en wat is één verschil?.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Hij ___ op zijn vader: allebei groot en blond.
2. Jij ___ een beetje op mijn collega met die mooie krullen.
3. Wij ___ niet op elkaar: hij is lang en ik ben klein en dik.
4. ___ zij op haar broer met die rode baard en bril?
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Bij de receptie een collega beschrijven
Expatspecialist: Show Ik wacht op mijn collega Mark, hij is groot en vrij dun.
Beveiliger: Show Oké, heeft hij bril of baard?
Expatspecialist: Show Ja, hij heeft een zwarte bril en een korte baard.
Beveiliger: Show Ik zie hem al, die man met de bril en de baard komt nu binnen.
Open vragen:
1. Hoe ziet jouw favoriete collega eruit? Gebruik drie woorden.
2. Kun je jezelf kort beschrijven? (haar, bril, groot/klein)
Bij de kapper je kapsel uitleggen
Klant: Show Mijn haar is nu lang en steil, en ik heb een kleine snor.
Kapper: Show Wil je het kort, of toch lang laten?
Klant: Show Graag kort, maar niet kaal, ik vind dat niet mooi.
Kapper: Show Geen probleem, ik maak het kort en netjes, dat staat jou mooi.
Open vragen:
1. Hoe is jouw haar nu? (kort/lang, krullen/steil)
2. Wat wil jij bij de kapper zeggen over jouw haar?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent bij de receptie van jouw werk. De bezoeker zoekt jouw collega, maar kent de naam niet. Beschrijf de collega kort met het uiterlijk. (Gebruik: De bril, De baard, groot, klein)
Hij heeft
Voorbeeld:
Hij heeft een bril en een baard. Hij is groot.
2. Je zit in een café met een vriend. Jullie praten over een nieuwe collega. Beschrijf hoe hij of zij eruitziet. (Gebruik: De krullen, blond, bruin haar)
Zij heeft
Voorbeeld:
Zij heeft krullen en blond haar. Zij is klein.
3. Je bent op het station. Je partner komt later en vraagt: ‘Hoe ziet de conducteur eruit?’ Leg het kort uit. (Gebruik: Kaal, lang, kort, dun)
De conducteur is
Voorbeeld:
De conducteur is kaal en dun. Hij heeft een kort jack.
4. Je bent op een verjaardagsfeest. Iemand vraagt: ‘Hoe ziet jouw beste vriend eruit?’ Beschrijf hem of haar kort. (Gebruik: Mooi, lelijk, lang, dik, dun)
Mijn vriend(in) is
Voorbeeld:
Mijn vriendin is mooi en lang. Zij is dun en heeft bruin haar.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over het uiterlijk van een collega, vriend of familielid, zoals in de tekst.
Nuttige uitdrukkingen:
Hij heeft ... haar. / Zij draagt ... / Hij is groot/klein/dun/dik. / Hij/Zij lijkt op ...
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf de mensen en dieren in de afbeeldingen. (Beschrijf de mensen en dieren op de foto's.)
- Beschrijf jezelf. (Beschrijf jezelf.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
De eerste vrouw heeft kort blond haar. |
|
Hij heeft kort zwart haar. Hij scheert zich. |
|
De hond is erg lang en dun. |
|
Ze is lang en heeft lang blond haar. |
|
Hij heeft kort donker haar. |
|
Hij is erg lang. |
|
Ze lijken op elkaar. |
| ... |