1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (18)

De baard

De baard Show

De baard Show

De bril

De bril Show

De bril Show

De krullen

De krullen Show

De krullen Show

De snor

De snor Show

De snor Show

Blond

Blond Show

Blond Show

Bruin

Bruin Show

Bruin Show

Kaal

Kaal Show

Kaal Show

Kort

Kort Show

Kort Show

Lang

Lang Show

Lang Show

Roodharig

Roodharig Show

Roodharig Show

Groot

Groot Show

Groot Show

Klein

Klein Show

Klein Show

Lelijk

Lelijk Show

Lelijk Show

Mooi

Mooi Show

Mooi Show

Steil

Steil Show

Steil Show

Lijken

Lijken Show

Lijken Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Nieuwe collega bij de receptie

Woorden om te gebruiken: bruin, bril, mooi, vriendelijke, lijkt, dik, baard, lange, slank

(Nieuwe collega bij de receptie)

Bij de receptie van een kantoor hangt een korte beschrijving van een nieuwe collega.

“Dit is onze nieuwe manager, Tom. Hij is een man en hij is niet , maar . Tom heeft kort haar en een kleine . Hij draagt vaak een zwarte . Hij een beetje op de directeur, maar de directeur is ouder en heeft grijs haar. Tom is een en rustige man. Hij heeft een , open gezicht en een brede lach. Zo kunt u hem makkelijk herkennen in het kantoor.”

  1. Hoe ziet Tom eruit? Noem twee dingen uit de tekst.

  2. Waarmee kun je Tom goed herkennen in het kantoor?

  3. Op wie lijkt Tom een beetje, en wat is één verschil?.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Mijn collega met de bril lijkt op mijn broer.
De nieuwe docent heeft een korte bruine baard.
Onze manager is een lange, dunne vrouw.
Die man met de krullen is altijd heel vrolijk.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Hij ___ op zijn vader: allebei groot en blond.


2. Jij ___ een beetje op mijn collega met die mooie krullen.


3. Wij ___ niet op elkaar: hij is lang en ik ben klein en dik.


4. ___ zij op haar broer met die rode baard en bril?


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent bij de receptie van jouw werk. De bezoeker zoekt jouw collega, maar kent de naam niet. Beschrijf de collega kort met het uiterlijk. (Gebruik: De bril, De baard, groot, klein)

Hij heeft  

Voorbeeld:

Hij heeft een bril en een baard. Hij is groot.

2. Je zit in een café met een vriend. Jullie praten over een nieuwe collega. Beschrijf hoe hij of zij eruitziet. (Gebruik: De krullen, blond, bruin haar)

Zij heeft  

Voorbeeld:

Zij heeft krullen en blond haar. Zij is klein.

3. Je bent op het station. Je partner komt later en vraagt: ‘Hoe ziet de conducteur eruit?’ Leg het kort uit. (Gebruik: Kaal, lang, kort, dun)

De conducteur is  

Voorbeeld:

De conducteur is kaal en dun. Hij heeft een kort jack.

4. Je bent op een verjaardagsfeest. Iemand vraagt: ‘Hoe ziet jouw beste vriend eruit?’ Beschrijf hem of haar kort. (Gebruik: Mooi, lelijk, lang, dik, dun)

Mijn vriend(in) is  

Voorbeeld:

Mijn vriendin is mooi en lang. Zij is dun en heeft bruin haar.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over het uiterlijk van een collega, vriend of familielid, zoals in de tekst.

Nuttige uitdrukkingen:

Hij heeft ... haar. / Zij draagt ... / Hij is groot/klein/dun/dik. / Hij/Zij lijkt op ...

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Beschrijf de mensen en dieren in de afbeeldingen. (Beschrijf de mensen en dieren op de foto's.)
  2. Beschrijf jezelf. (Beschrijf jezelf.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

De eerste vrouw heeft kort blond haar.

Hij heeft kort zwart haar. Hij scheert zich.

De hond is erg lang en dun.

Ze is lang en heeft lang blond haar.

Hij heeft kort donker haar.

Hij is erg lang.

Ze lijken op elkaar.

...