1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (14)

De kleur

De kleur Show

De kleur Show

Oranje

Oranje Show

Oranje Show

Paars

Paars Show

Paars Show

Roze

Roze Show

Roze Show

Rood

Rood Show

Rood Show

Zwart

Zwart Show

Zwart Show

Grijs

Grijs Show

Grijs Show

Blauw

Blauw Show

Blauw Show

Geel

Geel Show

Geel Show

Groen

Groen Show

Groen Show

Bevallen

Bevallen Show

Bevallen Show

Vinden

Vinden Show

Vinden Show

Haten

Haten Show

Haten Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

E-mail: Je krijgt een korte e-mail van een meubelwinkel om de kleur van je bestelde bank te kiezen en je moet terugmailen met jouw keuze en mening.


Beste klant,

U heeft bij ons een nieuwe bank besteld. U kunt nog de kleur kiezen. De bank is mogelijk in:

  • grijs
  • blauw
  • wit
  • zwart

Welke kleur vindt u mooi voor in uw woonkamer? Kunt u ons terugmailen met uw keuze?

Met vriendelijke groet,
Marieke de Boer
Meubelcentrum Noord


Beste klant,

U heeft bij ons een nieuwe bank besteld. U kunt nog de kleur kiezen. De bank is verkrijgbaar in:

  • grijs
  • blauw
  • wit
  • zwart

Welke kleur vindt u mooi voor in uw woonkamer? Kunt u ons terugmailen met uw keuze?

Met vriendelijke groet,
Marieke de Boer
Meubelcentrum Noord


Begrijp de tekst:

  1. Welke kleuren zijn mogelijk voor de bank? Noem er minstens twee.

  2. Welke informatie wil Marieke van de klant in de e-mail terugkrijgen?

Nuttige zinnen:

  1. Ik kies voor de kleur ...

  2. Ik vind ... mooi, want ...

  3. Ik houd niet van ... in de woonkamer.

Beste Marieke,

Dank u voor uw e-mail. Ik kies voor de kleur grijs. Ik vind grijs mooi in de woonkamer. Ik houd niet van witte banken, dat is te licht.

Met vriendelijke groet,
Ahmed El Mansouri

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik houd van blauwe auto’s, ze zien er rustig uit.
Wij vinden een witte muur op kantoor heel fris.
Mijn collega haat gele stoelen in de vergaderruimte.
Ik vind een zwarte laptop mooier dan een grijze.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ een witte muur in het kantoor rustig.


2. Mijn collega ___ een zwarte laptop mooier dan een blauwe.


3. Wij ___ gele stoelen in de vergaderruimte niet leuk.


4. Ik ___ een grijze lucht in de winter.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je werkt op kantoor. Jullie krijgen een nieuwe bedrijfsauto. Je collega vraagt: “Welke kleur vind jij mooi voor de auto?” Antwoord. (Gebruik: de kleur, blauw, vinden)

Ik vind  

Voorbeeld:

Ik vind blauw mooi voor de auto.

2. Je bent in een kledingwinkel. Je zoekt een nette trui voor je werk. De verkoper vraagt: “Welke kleur wil je?” Antwoord. (Gebruik: de kleur, zwart, wit)

De kleur  

Voorbeeld:

De kleur zwart is goed voor mijn werk.

3. Je partner vraagt thuis: “Wat vind je van de roze muur in de slaapkamer? Vind je het mooi?” Antwoord eerlijk. (Gebruik: roze, haten, niet mooi)

Ik haat  

Voorbeeld:

Ik haat roze op de muur, ik vind het niet mooi.

4. Je bestelt een nieuwe fiets online. De medewerker vraagt aan de telefoon: “Welke kleur fiets wilt u?” Antwoord. (Gebruik: groen, rood, bevallen)

Groen bevalt me  

Voorbeeld:

Groen bevalt me heel goed, ik wil een groene fiets.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over de kleuren op je werk of thuis (meubels, muren, apparaten) en zeg welke kleuren je leuk vindt en welke je niet leuk vindt.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik vind … mooi. / Ik houd (niet) van … / Ik haat … / … bevalt mij (niet).

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Beschrijf de kleuren van de kleding. (Beschrijf de kleuren van de kleding.)
  2. Beschrijf de haarkleur van elke persoon. (Beschrijf de haarkleur van elke persoon.)
  3. Beschrijf je eigen uiterlijk. (Beschrijf je eigen uiterlijk.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

De schoenen zijn wit.

Zij heeft bruin haar.

De vrouw draagt een gele jurk.

Zij heeft blond haar.

Ik draag een paarse blouse.

Alice draagt zwarte laarzen.

Zij draagt een spijkerbroek.

...