A1.24 - Kleuren
Kleuren
1. Taalonderdompeling
A1.24.1 Activiteit
Een nieuwe bedrijfswagen
3. Grammatica
A1.24.2 Grammatica
Het uitdrukken van voorkeuren en afkeuren
Belangrijk werkwoord
Vinden (vinden)
Belangrijk werkwoord
Haten (haten)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
E-mail: Je krijgt een korte e-mail van een meubelwinkel om de kleur van je bestelde bank te kiezen en je moet terugmailen met jouw keuze en mening.
Beste klant,
U heeft bij ons een nieuwe bank besteld. U kunt nog de kleur kiezen. De bank is mogelijk in:
- grijs
- blauw
- wit
- zwart
Welke kleur vindt u mooi voor in uw woonkamer? Kunt u ons terugmailen met uw keuze?
Met vriendelijke groet,
Marieke de Boer
Meubelcentrum Noord
Beste klant,
U heeft bij ons een nieuwe bank besteld. U kunt nog de kleur kiezen. De bank is verkrijgbaar in:
- grijs
- blauw
- wit
- zwart
Welke kleur vindt u mooi voor in uw woonkamer? Kunt u ons terugmailen met uw keuze?
Met vriendelijke groet,
Marieke de Boer
Meubelcentrum Noord
Begrijp de tekst:
-
Welke kleuren zijn mogelijk voor de bank? Noem er minstens twee.
-
Welke informatie wil Marieke van de klant in de e-mail terugkrijgen?
Nuttige zinnen:
-
Ik kies voor de kleur ...
-
Ik vind ... mooi, want ...
-
Ik houd niet van ... in de woonkamer.
Dank u voor uw e-mail. Ik kies voor de kleur grijs. Ik vind grijs mooi in de woonkamer. Ik houd niet van witte banken, dat is te licht.
Met vriendelijke groet,
Ahmed El Mansouri
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ een witte muur in het kantoor rustig.
2. Mijn collega ___ een zwarte laptop mooier dan een blauwe.
3. Wij ___ gele stoelen in de vergaderruimte niet leuk.
4. Ik ___ een grijze lucht in de winter.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Nieuwe mokken kiezen op kantoor
Collega Sara: Show Kijk, deze mok is blauw en wit, wat vind je daarvan?
Collega Mark: Show Ik vind blauw mooi, maar ik haat wit, dat wordt snel vies.
Collega Sara: Show Oké, dan nemen we groene mokken, bevalt die kleur jou?
Collega Mark: Show Ja, groen bevalt mij, dat staat rustig in de keuken.
Open vragen:
1. Welke kleur mok vind jij mooi voor op kantoor?
2. Welke kleur mok haat jij? Waarom? (Leg kort uit.)
Bank uitzoeken in de woonwinkel
Partner Emma: Show Deze bank is grijs, maar daar word ik zo somber van, ik vind grijs echt haten.
Partner Tom: Show Ik vind grijs juist oké, maar een blauwe bank bevalt mij meer.
Partner Emma: Show Blauw is mooi, maar ik wil geen zwarte bank, zwart vind ik te donker.
Partner Tom: Show Goed, dan nemen we de blauwe bank, die kleur bevalt ons allebei.
Open vragen:
1. Welke kleur bank heb jij nu thuis?
2. Welke kleur bank vind je niet mooi? Waarom?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je werkt op kantoor. Jullie krijgen een nieuwe bedrijfsauto. Je collega vraagt: “Welke kleur vind jij mooi voor de auto?” Antwoord. (Gebruik: de kleur, blauw, vinden)
Ik vind
Voorbeeld:
Ik vind blauw mooi voor de auto.
2. Je bent in een kledingwinkel. Je zoekt een nette trui voor je werk. De verkoper vraagt: “Welke kleur wil je?” Antwoord. (Gebruik: de kleur, zwart, wit)
De kleur
Voorbeeld:
De kleur zwart is goed voor mijn werk.
3. Je partner vraagt thuis: “Wat vind je van de roze muur in de slaapkamer? Vind je het mooi?” Antwoord eerlijk. (Gebruik: roze, haten, niet mooi)
Ik haat
Voorbeeld:
Ik haat roze op de muur, ik vind het niet mooi.
4. Je bestelt een nieuwe fiets online. De medewerker vraagt aan de telefoon: “Welke kleur fiets wilt u?” Antwoord. (Gebruik: groen, rood, bevallen)
Groen bevalt me
Voorbeeld:
Groen bevalt me heel goed, ik wil een groene fiets.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over de kleuren op je werk of thuis (meubels, muren, apparaten) en zeg welke kleuren je leuk vindt en welke je niet leuk vindt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik vind … mooi. / Ik houd (niet) van … / Ik haat … / … bevalt mij (niet).
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf de kleuren van de kleding. (Beschrijf de kleuren van de kleding.)
- Beschrijf de haarkleur van elke persoon. (Beschrijf de haarkleur van elke persoon.)
- Beschrijf je eigen uiterlijk. (Beschrijf je eigen uiterlijk.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
De schoenen zijn wit. |
|
Zij heeft bruin haar. |
|
De vrouw draagt een gele jurk. |
|
Zij heeft blond haar. |
|
Ik draag een paarse blouse. |
|
Alice draagt zwarte laarzen. |
|
Zij draagt een spijkerbroek. |
| ... |