A1.43 - Vragen naar en geven van de weg
Vragen naar en geven van de weg
1. Taalonderdompeling
A1.43.1 Activiteit
De weg vragen
3. Grammatica
A1.43.2 Grammatica
Gebiedende wijs
Belangrijk werkwoord
Luisteren (luisteren)
Belangrijk werkwoord
Zoeken (zoeken)
Belangrijk werkwoord
Stoppen (stoppen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Stadswandeling in Utrecht
Woorden om te gebruiken: park, adres, stopt, bushalte, station, navigatie, halte, kaartje, rechtdoor, centrum
(Stadswandeling in Utrecht)
U bent in Utrecht voor een afspraak in het . Op uw telefoon staat alleen het van het kantoor, maar uw werkt niet. U loopt vanaf het langs de winkels en zoekt een . Op een bord leest u: "Bus 2 naar Parkwijk vertrekt van B. Loop tot de rotonde en ga linksaf. De halte is naast het ."
U wilt niet op de bus wachten en besluit te lopen. Op een klein bij de halte ziet u het centrum. Het kantoor ligt dicht bij het park. Op het kaartje staat: "Vanaf de halte: ga rechtdoor, neem de tweede straat rechtsaf en steek bij het stoplicht over. Het kantoor is aan de linkerkant." U kijkt goed, even en loopt dan verder richting centrum.
-
Waarom kijkt de persoon op het bord bij de bushalte?
-
Waarom besluit de persoon te lopen en niet op de bus te wachten?
-
Hoe kun je vanaf de halte bij het kantoor komen?
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. ___ goed en neem dan de tweede straat linksaf.
2. ___ het station op de kaart en loop daarna rechtdoor.
3. ___ bij de volgende halte en stap daar uit.
4. Gisteren was de weg afgesloten, de auto ___ bij de kruising ___.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Toerist zoekt station Utrecht
Toerist: Show Hallo, ik zoek het station. Kunt u mij vertellen waar het ongeveer is?
Passant: Show Het station is in het centrum, niet ver — ongeveer vijf minuten lopen.
Passant: Show Loop hier rechtdoor en sla dan linksaf bij het park.
Toerist: Show Oké, rechtdoor en dan linksaf bij het park. Dank u wel!
Open vragen:
1. Waar vraag jij vaak de weg in een nieuwe stad?
2. Is het station in jouw stad dichtbij of ver van jouw huis?
Nieuwe collega zoekt bushalte
Nieuwe collega: Show Sorry, ik zoek de bushalte naar het station. Is die dichtbij hier?
Receptioniste: Show Ja, heel dichtbij. De halte is in de grote straat voor het kantoor.
Receptioniste: Show Ga hier rechtsaf en loop rechtdoor tot aan het park. Daar stopt de bus.
Nieuwe collega: Show Prima, rechtsaf en rechtdoor tot het park. Dank je wel!
Open vragen:
1. Hoe ga jij meestal naar je werk: met bus, trein of auto?
2. Welke gebouwen of plekken zijn dichtbij jouw werk?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. 1. Je bent in een onbekende stad voor een zakelijke afspraak. Je staat bij het station, maar je hotel is in het centrum. Vraag iemand op straat hoe je naar het centrum gaat. (Gebruik: het centrum, rechtdoor, linksaf)
Ik wil naar
Voorbeeld:
Ik wil naar het centrum. Kunt u mij de weg wijzen? Moet ik rechtdoor lopen of linksaf?
2. 2. Je staat bij een bushalte in een woonwijk. Je weet niet of deze bus naar het station gaat. Vraag een andere reiziger om hulp. (Gebruik: het station, deze bus, rechtdoor)
Gaat deze bus
Voorbeeld:
Gaat deze bus naar het station? Of moet ik uitstappen en rechtdoor lopen?
3. 3. Een collega komt met de auto naar jouw kantoor voor een vergadering. Hij belt en staat nu in jouw straat, maar vindt het adres niet. Leg kort uit waar hij kan stoppen. (Gebruik: het adres, de straat, stoppen)
Mijn adres is
Voorbeeld:
Mijn adres is straatnaam 28. Je rijdt mijn straat in en je kunt voor de deur stoppen.
4. 4. Je bent in een park en zoekt de tramhalte om naar huis te gaan. Vraag iemand in het park waar de halte is. (Gebruik: de halte, dichtbij, rechtsaf)
Is de halte
Voorbeeld:
Is de halte hier dichtbij? Moet ik nog een stukje lopen en dan rechtsaf?
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij normaal de weg naar je werk of studie vindt (bijvoorbeeld met een kaart, navigatie of door mensen de weg te vragen).
Nuttige uitdrukkingen:
Ik loop altijd eerst… / Kunt u mij de weg uitleggen naar…? / Ik ga linksaf / rechtsaf / rechtdoor bij… / Ik kijk op de kaart en daarna…
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Vraag hoe je naar een gebouw moet gaan. (Vragen hoe je naar een gebouw gaat.)
- Geef de anderen aanwijzingen. (Geef de anderen aanwijzingen.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Is er een bushalte in de buurt? |
|
Ga rechtdoor en neem dan de tweede straat links. |
|
Het treinstation is naast het park. |
|
Weet je waar de school is? |
|
Ja, je moet gewoon rechtdoor gaan. |
|
Weet je de weg naar het hoofdplein? |
| ... |