1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (15)

Het adres

Het adres Show

Het adres Show

Het centrum

Het centrum Show

Het centrum Show

Het park

Het park Show

Het park Show

Het station

Het station Show

Het station Show

De halte

De halte Show

De halte Show

De richting

De richting Show

De richting Show

De straat

De straat Show

De straat Show

De weg

De weg Show

De weg Show

Dichtbij

Dichtbij Show

Dichtbij Show

Linksaf

Linksaf Show

Linksaf Show

Rechtsaf

Rechtsaf Show

Rechtsaf Show

Rechtdoor

Rechtdoor Show

Rechtdoor Show

Zoeken

Zoeken Show

Zoeken Show

Stoppen

Stoppen Show

Stoppen Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Luisteren (luisteren)

Belangrijk werkwoord

Zoeken (zoeken)

Belangrijk werkwoord

Stoppen (stoppen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Stadswandeling in Utrecht

Woorden om te gebruiken: rechtdoor, straat, weg, adres, rechtsaf, park, centrum, stoppen, station

(Stadswandeling in Utrecht)

In de nieuwsbrief van de taalschool staat een korte stadswandeling in Utrecht. Begin bij het . Loop naar het tot je bij de grote kerk komt. Aan de linkerkant zie je een . Hier kun je even en op een bankje zitten.

Loop daarna verder door de naast het park. Neem de eerste straat . Aan het einde van de is een klein bruggetje. Ga over de brug en loop nog vijf minuten rechtdoor. Daar zie je een mooie, oude bibliotheek. Het staat ook op de kaart bij de balie van de school, als je het nog eens wilt bekijken.

  1. Waar begint de stadswandeling en waar kom je als eerste belangrijke plek tegen?

  2. Wat doe je bij het park en welke straat neem je daarna?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Is het station ver van het centrum?
Kunt u mij de weg naar het park wijzen?
Loop hier rechtdoor en ga daarna rechtsaf.
De bushalte is dichtbij, bij die brede straat.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. U staat bij het station, ___ goed en ga dan rechtdoor naar het park.


2. ___ eerst het juiste adres op en loop daarna naar het centrum.


3. ___ maar bij de volgende halte en kijk dan naar rechts.


4. We ___ bij het verkeerde station ___, nu moeten we de weg terugvragen.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op een stedentrip in Utrecht. Je staat bij het station en je weet niet waar het centrum is. Spreek iemand op straat aan en vraag de weg naar het centrum. (Gebruik: het centrum, de weg, rechtdoor)

Waar is    

Voorbeeld:

Waar is het centrum, alstublieft? Ik moet daar naartoe.

2. Je hebt een afspraak bij de tandarts, maar je weet niet waar de praktijk is. Je belt de assistent en vraagt naar het adres. (Gebruik: het adres, de straat, dichtbij)

Kunt u    

Voorbeeld:

Kunt u het adres van de praktijk geven? Is de praktijk dichtbij het station?

3. Op je werk moet je met de bus naar een andere locatie. Je staat bij een drukke straat en je weet niet waar de bushalte is. Vraag aan een collega waar de halte is. (Gebruik: de halte, de straat, linksaf)

Waar is    

Voorbeeld:

Waar is de halte voor de bus? Ga ik hier linksaf of rechtdoor?

4. Een vriend komt bij jou op bezoek. Hij is in jouw stad, maar hij weet niet waar jouw huis is. Stuur een kort spraakbericht en leg uit hoe hij moet lopen vanaf het park. (Gebruik: het park, rechtdoor, rechtsaf)

Je loopt    

Voorbeeld:

Je loopt rechtdoor langs het park, en dan ga je rechtsaf bij het grote gebouw. Mijn deur is nummer 12.

Oefening 6: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo meneer, loopt u even met mij mee? Ik zoek het station. Ga hier rechtdoor tot het park. Stop bij de grote boom en ga dan linksaf. Het station is daar, naast de bushalte. Het is niet ver, vijf minuten lopen.

Waar ligt het station volgens de spreker?

2. Hoi Tom, luister eens. Je moet naar het nieuwe kantoor in het centrum. Fiets rechtdoor tot de grote rotonde. Ga daar rechtsaf de smalle straat in. Stop bij nummer twintig. Het adres staat op de deur. Het kantoor is op de tweede verdieping.

Wat moet Tom doen bij de rotonde?

Oefening 7: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 3 of 4 zinnen over de route van jouw huis naar je werk of school en leg uit welke richting je loopt of rijdt.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik loop eerst rechtdoor. / Daarna ga ik linksaf of rechtsaf. / Het is dichtbij mijn huis. / Aan het einde van de straat is mijn werk.

Oefening 8: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Vraag hoe je naar een gebouw moet gaan. (Vragen hoe je naar een gebouw gaat.)
  2. Geef de anderen aanwijzingen. (Geef de anderen aanwijzingen.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Is er een bushalte in de buurt?

Ga rechtdoor en neem dan de tweede straat links.

Het treinstation is naast het park.

Weet je waar de school is?

Ja, je moet gewoon rechtdoor gaan.

Weet je de weg naar het hoofdplein?

...