1. Taalonderdompeling
A1.43.1 Activiteit
De weg vragen
3. Grammatica
A1.43.2 Grammatica
Gebiedende wijs
Belangrijk werkwoord
Luisteren (luisteren)
Belangrijk werkwoord
Zoeken (zoeken)
Belangrijk werkwoord
Stoppen (stoppen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Stadswandeling in Utrecht
Woorden om te gebruiken: rechtdoor, straat, weg, adres, rechtsaf, park, centrum, stoppen, station
(Stadswandeling in Utrecht)
In de nieuwsbrief van de taalschool staat een korte stadswandeling in Utrecht. Begin bij het . Loop naar het tot je bij de grote kerk komt. Aan de linkerkant zie je een . Hier kun je even en op een bankje zitten.
Loop daarna verder door de naast het park. Neem de eerste straat . Aan het einde van de is een klein bruggetje. Ga over de brug en loop nog vijf minuten rechtdoor. Daar zie je een mooie, oude bibliotheek. Het staat ook op de kaart bij de balie van de school, als je het nog eens wilt bekijken.
-
Waar begint de stadswandeling en waar kom je als eerste belangrijke plek tegen?
-
Wat doe je bij het park en welke straat neem je daarna?
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. U staat bij het station, ___ goed en ga dan rechtdoor naar het park.
2. ___ eerst het juiste adres op en loop daarna naar het centrum.
3. ___ maar bij de volgende halte en kijk dan naar rechts.
4. We ___ bij het verkeerde station ___, nu moeten we de weg terugvragen.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op een stedentrip in Utrecht. Je staat bij het station en je weet niet waar het centrum is. Spreek iemand op straat aan en vraag de weg naar het centrum. (Gebruik: het centrum, de weg, rechtdoor)
Waar is
Voorbeeld:
Waar is het centrum, alstublieft? Ik moet daar naartoe.
2. Je hebt een afspraak bij de tandarts, maar je weet niet waar de praktijk is. Je belt de assistent en vraagt naar het adres. (Gebruik: het adres, de straat, dichtbij)
Kunt u
Voorbeeld:
Kunt u het adres van de praktijk geven? Is de praktijk dichtbij het station?
3. Op je werk moet je met de bus naar een andere locatie. Je staat bij een drukke straat en je weet niet waar de bushalte is. Vraag aan een collega waar de halte is. (Gebruik: de halte, de straat, linksaf)
Waar is
Voorbeeld:
Waar is de halte voor de bus? Ga ik hier linksaf of rechtdoor?
4. Een vriend komt bij jou op bezoek. Hij is in jouw stad, maar hij weet niet waar jouw huis is. Stuur een kort spraakbericht en leg uit hoe hij moet lopen vanaf het park. (Gebruik: het park, rechtdoor, rechtsaf)
Je loopt
Voorbeeld:
Je loopt rechtdoor langs het park, en dan ga je rechtsaf bij het grote gebouw. Mijn deur is nummer 12.
Oefening 6: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Waar ligt het station volgens de spreker?
Wat moet Tom doen bij de rotonde?
Oefening 7: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 3 of 4 zinnen over de route van jouw huis naar je werk of school en leg uit welke richting je loopt of rijdt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik loop eerst rechtdoor. / Daarna ga ik linksaf of rechtsaf. / Het is dichtbij mijn huis. / Aan het einde van de straat is mijn werk.
Oefening 8: Gespreksoefening
Instructie:
- Vraag hoe je naar een gebouw moet gaan. (Vragen hoe je naar een gebouw gaat.)
- Geef de anderen aanwijzingen. (Geef de anderen aanwijzingen.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten