1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (15)

Het adres

Het adres Show

Het adres Show

Het centrum

Het centrum Show

Het centrum Show

Het park

Het park Show

Het park Show

Het station

Het station Show

Het station Show

De halte

De halte Show

De halte Show

De richting

De richting Show

De richting Show

De straat

De straat Show

De straat Show

De weg

De weg Show

De weg Show

Dichtbij

Dichtbij Show

Dichtbij Show

Linksaf

Linksaf Show

Linksaf Show

Rechtsaf

Rechtsaf Show

Rechtsaf Show

Rechtdoor

Rechtdoor Show

Rechtdoor Show

Stoppen

Stoppen Show

Stoppen Show

Zoeken

Zoeken Show

Zoeken Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Luisteren (luisteren)

Belangrijk werkwoord

Zoeken (zoeken)

Belangrijk werkwoord

Stoppen (stoppen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Stadswandeling in Utrecht

Woorden om te gebruiken: park, adres, stopt, bushalte, station, navigatie, halte, kaartje, rechtdoor, centrum

(Stadswandeling in Utrecht)

U bent in Utrecht voor een afspraak in het . Op uw telefoon staat alleen het van het kantoor, maar uw werkt niet. U loopt vanaf het langs de winkels en zoekt een . Op een bord leest u: "Bus 2 naar Parkwijk vertrekt van B. Loop tot de rotonde en ga linksaf. De halte is naast het ."

U wilt niet op de bus wachten en besluit te lopen. Op een klein bij de halte ziet u het centrum. Het kantoor ligt dicht bij het park. Op het kaartje staat: "Vanaf de halte: ga rechtdoor, neem de tweede straat rechtsaf en steek bij het stoplicht over. Het kantoor is aan de linkerkant." U kijkt goed, even en loopt dan verder richting centrum.

  1. Waarom kijkt de persoon op het bord bij de bushalte?

  2. Waarom besluit de persoon te lopen en niet op de bus te wachten?

  3. Hoe kun je vanaf de halte bij het kantoor komen?

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Sorry, waar is het station hier in de buurt?
Loop bij het park rechtdoor tot aan de rotonde.
Neem bij de volgende straat linksaf naar het centrum.
De bushalte is niet ver, stop maar bij die hoek.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. ___ goed en neem dan de tweede straat linksaf.


2. ___ het station op de kaart en loop daarna rechtdoor.


3. ___ bij de volgende halte en stap daar uit.


4. Gisteren was de weg afgesloten, de auto ___ bij de kruising ___.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. 1. Je bent in een onbekende stad voor een zakelijke afspraak. Je staat bij het station, maar je hotel is in het centrum. Vraag iemand op straat hoe je naar het centrum gaat. (Gebruik: het centrum, rechtdoor, linksaf)

Ik wil naar  

Voorbeeld:

Ik wil naar het centrum. Kunt u mij de weg wijzen? Moet ik rechtdoor lopen of linksaf?

2. 2. Je staat bij een bushalte in een woonwijk. Je weet niet of deze bus naar het station gaat. Vraag een andere reiziger om hulp. (Gebruik: het station, deze bus, rechtdoor)

Gaat deze bus  

Voorbeeld:

Gaat deze bus naar het station? Of moet ik uitstappen en rechtdoor lopen?

3. 3. Een collega komt met de auto naar jouw kantoor voor een vergadering. Hij belt en staat nu in jouw straat, maar vindt het adres niet. Leg kort uit waar hij kan stoppen. (Gebruik: het adres, de straat, stoppen)

Mijn adres is  

Voorbeeld:

Mijn adres is straatnaam 28. Je rijdt mijn straat in en je kunt voor de deur stoppen.

4. 4. Je bent in een park en zoekt de tramhalte om naar huis te gaan. Vraag iemand in het park waar de halte is. (Gebruik: de halte, dichtbij, rechtsaf)

Is de halte  

Voorbeeld:

Is de halte hier dichtbij? Moet ik nog een stukje lopen en dan rechtsaf?

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij normaal de weg naar je werk of studie vindt (bijvoorbeeld met een kaart, navigatie of door mensen de weg te vragen).

Nuttige uitdrukkingen:

Ik loop altijd eerst… / Kunt u mij de weg uitleggen naar…? / Ik ga linksaf / rechtsaf / rechtdoor bij… / Ik kijk op de kaart en daarna…

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Vraag hoe je naar een gebouw moet gaan. (Vragen hoe je naar een gebouw gaat.)
  2. Geef de anderen aanwijzingen. (Geef de anderen aanwijzingen.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Is er een bushalte in de buurt?

Ga rechtdoor en neem dan de tweede straat links.

Het treinstation is naast het park.

Weet je waar de school is?

Ja, je moet gewoon rechtdoor gaan.

Weet je de weg naar het hoofdplein?

...