Beschrijf de verschillende soorten vervoer.
Koop een vervoerbewijs.
Beschrijf het vervoer tussen plaatsen.
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Activiteit: Mobiliteit in een moderne stad
Twee collega's bespreken in de lunchpauze de treinreis van Eline naar Rotterdam en hoe ze tickets kan kopen.
Grammatica: Voorzetsels van richting ( door, langs, naar, ...)
Voorzetsels die een richting aangeven, zoals door, naar, langs. Bijvoorbeeld: Ik ga naar de stad.
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!