1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (12)

De auto

De auto Show

De auto Show

De bus

De bus Show

De bus Show

De tram

De tram Show

De tram Show

De trein

De trein Show

De trein Show

De boot

De boot Show

De boot Show

De metro

De metro Show

De metro Show

De taxi

De taxi Show

De taxi Show

Het vliegtuig

Het vliegtuig Show

Het vliegtuig Show

De fiets

De fiets Show

De fiets Show

Te voet

Te voet Show

Te voet Show

Rijden

Rijden Show

Rijden Show

Vliegen

Vliegen Show

Vliegen Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp-bericht van je collega Anna over samen naar het werk reizen met het openbaar vervoer; antwoord op haar vragen en maak een kleine afspraak.


Anna: Hoi! 😊

Ik zag dat jij ook in Utrecht woont. Hoe ga jij naar het werk in Amsterdam?

Ik ga nu met de auto, maar het is druk. Ik denk aan de trein. Misschien kunnen we samen reizen.

Welke trein neem jij? En hoe ga jij naar het station? Met de fiets of te voet?

Laat je het even weten?


Anna: Hoi! 😊

Ik zag dat jij ook in Utrecht woont. Hoe ga jij naar je werk in Amsterdam?

Ik ga nu met de auto, maar het is druk. Ik denk aan de trein. Misschien kunnen we samen reizen.

Welke trein neem jij? En hoe ga jij naar het station? Met de fiets of te voet?

Laat je het even weten?


Begrijp de tekst:

  1. Hoe gaat Anna nu naar haar werk en wat is het probleem?

  2. Wat wil Anna weten over de reis van de student naar het werk?

Nuttige zinnen:

  1. Ik ga naar het werk met ...

  2. Ik neem de trein van ... naar ... om ... uur.

  3. Zullen we samen reizen om ... uur?

Hoi Anna,

Leuk bericht. Ik ga elke dag met de trein naar het werk. Ik neem de trein van Utrecht Centraal naar Amsterdam om 8.02 uur.

Ik ga met de fiets naar het station. Dat is 10 minuten.

We kunnen samen reizen. Zullen we afspreken bij de ingang van het station om 7.55 uur?

Groetjes,
[Je naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik ga met de trein naar mijn werk in Utrecht.
De bus rijdt door het centrum van de stad.
We fietsen elke dag langs het kanaal naar kantoor.
Ik vlieg morgen naar Amsterdam voor een vergadering.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ elke dag met de fiets naar mijn werk in het centrum.


2. De bus ___ langs het station en stopt bij het ziekenhuis.


3. Het vliegtuig ___ over Amsterdam en gaat naar New York.


4. Wij ___ morgen van Schiphol naar Berlijn.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je nieuwe collega is net in Nederland. Hij vraagt: “Hoe ga jij elke dag naar het werk?” Leg kort uit met welk vervoer jij meestal gaat. (Gebruik: De fiets, De auto, elke dag)

Naar mijn werk  

Voorbeeld:

Naar mijn werk ga ik vaak met de fiets.

2. Je staat op Utrecht Centraal. Een toerist vraagt: “Hoe ga ik snel naar Amsterdam?” Geef een simpel advies. (Gebruik: De trein, snel, goedkoop)

U kunt  

Voorbeeld:

U kunt het beste met de trein naar Amsterdam gaan; dat is snel en goedkoop.

3. Je wilt een kaartje kopen bij de automaat in de metro in Rotterdam. Zeg wat je wilt kopen. (Gebruik: De metro, een kaartje, naar het centrum)

Ik wil graag  

Voorbeeld:

Ik wil graag een kaartje voor de metro naar het centrum.

4. Je plant een werkbezoek bij een klant in de stad. Je collega vraagt: “Hoe ga jij naar de klant?” Antwoord kort. (Gebruik: De tram, De bus, te voet)

Naar de klant  

Voorbeeld:

Naar de klant ga ik met de tram en het laatste stuk te voet.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij in Nederland naar je werk, studie of een andere vaste plek reist en welk vervoer je gebruikt.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik ga meestal met ... naar ... / Eerst ga ik ... daarna ... / Het is snel/makkelijk/goedkoop, omdat ... / Ik vind dit beter dan ..., want ...

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Beschrijf de verschillende vormen van vervoer die je op de afbeeldingen ziet. (Beschrijf de verschillende manieren van vervoer die je op de foto's ziet.)
  2. Welke vervoermiddelen gebruik je om naar je werk te gaan of voor je dagelijkse activiteiten? (Welke vervoersmiddelen gebruik je om naar je werk te gaan of voor je dagelijkse activiteiten?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

We reizen met het vliegtuig naar Spanje.

Ik neem de bus naar mijn werk.

Ik fiets altijd naar school.

Ik neem een taxi om naar de luchthaven te gaan.

We nemen de trein naar Madrid.

Elke dag loop ik 15 minuten naar de bakker.

...