A1.42 - Vervoer
Vervoer
1. Taalonderdompeling
A1.42.1 Activiteit
Mobiliteit in een moderne stad
3. Grammatica
A1.42.2 Grammatica
Voorzetsels van richting ( door, langs, naar, ...)
Belangrijk werkwoord
Rijden (rijden)
Belangrijk werkwoord
Vliegen (vliegen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp-bericht van je collega Anna over samen naar het werk reizen met het openbaar vervoer; antwoord op haar vragen en maak een kleine afspraak.
Anna: Hoi! 😊
Ik zag dat jij ook in Utrecht woont. Hoe ga jij naar het werk in Amsterdam?
Ik ga nu met de auto, maar het is druk. Ik denk aan de trein. Misschien kunnen we samen reizen.
Welke trein neem jij? En hoe ga jij naar het station? Met de fiets of te voet?
Laat je het even weten?
Anna: Hoi! 😊
Ik zag dat jij ook in Utrecht woont. Hoe ga jij naar je werk in Amsterdam?
Ik ga nu met de auto, maar het is druk. Ik denk aan de trein. Misschien kunnen we samen reizen.
Welke trein neem jij? En hoe ga jij naar het station? Met de fiets of te voet?
Laat je het even weten?
Begrijp de tekst:
-
Hoe gaat Anna nu naar haar werk en wat is het probleem?
-
Wat wil Anna weten over de reis van de student naar het werk?
Nuttige zinnen:
-
Ik ga naar het werk met ...
-
Ik neem de trein van ... naar ... om ... uur.
-
Zullen we samen reizen om ... uur?
Leuk bericht. Ik ga elke dag met de trein naar het werk. Ik neem de trein van Utrecht Centraal naar Amsterdam om 8.02 uur.
Ik ga met de fiets naar het station. Dat is 10 minuten.
We kunnen samen reizen. Zullen we afspreken bij de ingang van het station om 7.55 uur?
Groetjes,
[Je naam]
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ elke dag met de fiets naar mijn werk in het centrum.
2. De bus ___ langs het station en stopt bij het ziekenhuis.
3. Het vliegtuig ___ over Amsterdam en gaat naar New York.
4. Wij ___ morgen van Schiphol naar Berlijn.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Treinkaartje kopen naar Utrecht
Reiziger: Show Sorry, ik wil met de trein naar Utrecht, maar ik snap de automaat niet.
Collega-reiziger: Show Geen probleem, je tikt hier ‘Utrecht Centraal’ en kiest dan één kaartje.
Reiziger: Show Dank je, ik reis nu vaak met de bus, maar vandaag ga ik met de trein.
Collega-reiziger: Show Graag gedaan, de trein is snel; hij rijdt over tien minuten.
Open vragen:
1. Hoe ga jij meestal naar een andere stad?
2. Koop jij een kaartje op je telefoon of bij de automaat?
Overleg met collega over vervoer naar kantoor
Collega Mark: Show Hoe kom jij eigenlijk naar kantoor, met de auto of met de trein?
Collega Sara: Show Ik kom met de fiets, het is tien minuten rijden en dat is lekker.
Collega Mark: Show Ik kom met de bus; lopen is te ver en ik heb geen fiets hier.
Collega Sara: Show Misschien kun je een fiets huren, in Nederland is de fiets heel handig.
Open vragen:
1. Hoe ga jij naar je werk in Nederland?
2. Vind jij de fiets of de auto fijner? Waarom?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je nieuwe collega is net in Nederland. Hij vraagt: “Hoe ga jij elke dag naar het werk?” Leg kort uit met welk vervoer jij meestal gaat. (Gebruik: De fiets, De auto, elke dag)
Naar mijn werk
Voorbeeld:
Naar mijn werk ga ik vaak met de fiets.
2. Je staat op Utrecht Centraal. Een toerist vraagt: “Hoe ga ik snel naar Amsterdam?” Geef een simpel advies. (Gebruik: De trein, snel, goedkoop)
U kunt
Voorbeeld:
U kunt het beste met de trein naar Amsterdam gaan; dat is snel en goedkoop.
3. Je wilt een kaartje kopen bij de automaat in de metro in Rotterdam. Zeg wat je wilt kopen. (Gebruik: De metro, een kaartje, naar het centrum)
Ik wil graag
Voorbeeld:
Ik wil graag een kaartje voor de metro naar het centrum.
4. Je plant een werkbezoek bij een klant in de stad. Je collega vraagt: “Hoe ga jij naar de klant?” Antwoord kort. (Gebruik: De tram, De bus, te voet)
Naar de klant
Voorbeeld:
Naar de klant ga ik met de tram en het laatste stuk te voet.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij in Nederland naar je werk, studie of een andere vaste plek reist en welk vervoer je gebruikt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik ga meestal met ... naar ... / Eerst ga ik ... daarna ... / Het is snel/makkelijk/goedkoop, omdat ... / Ik vind dit beter dan ..., want ...
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf de verschillende vormen van vervoer die je op de afbeeldingen ziet. (Beschrijf de verschillende manieren van vervoer die je op de foto's ziet.)
- Welke vervoermiddelen gebruik je om naar je werk te gaan of voor je dagelijkse activiteiten? (Welke vervoersmiddelen gebruik je om naar je werk te gaan of voor je dagelijkse activiteiten?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
We reizen met het vliegtuig naar Spanje. |
|
Ik neem de bus naar mijn werk. |
|
Ik fiets altijd naar school. |
|
Ik neem een taxi om naar de luchthaven te gaan. |
|
We nemen de trein naar Madrid. |
|
Elke dag loop ik 15 minuten naar de bakker. |
| ... |