Jeszcze nie ma nauczyciela
Chcę nauczyciela!

Gebruik 'zijn aan het' + infinitief om lopende acties te beschrijven,.

(Używaj 'zijn aan het' + infinitief, aby opisać czynności, które właśnie trwają.)

Kiedy używamy konstrukcji zijn + aan het + infinitief?

  • Używasz jej, gdy coś dzieje się dokładnie teraz.
  • W języku polskim to najczęściej: „jestem w trakcie …” albo po prostu czas teraźniejszy: „pracuję, czytam, gotuję”.

Porównanie:

  • Ik werk in de tuin. – Pracuję w ogrodzie. (informacja ogólna lub „teraz” z kontekstu)
  • Ik ben in de tuin aan het werken. – Jestem teraz w trakcie pracy w ogrodzie (podkreślenie trwania).

Schemat: budowa zdania krok po kroku

Standardowy schemat:

PODMIOT + zijn (odmienione) + aan het + BEZOKOLICZNIK

Osoba Formy zijn Przykład Tłumaczenie sensu
ik ben Ik ben koffie aan het drinken. Jestem w trakcie picia kawy.
jij / je bent Jij bent een e-mail aan het schrijven. Jesteś w trakcie pisania e‑maila.
hij / zij is Hij is het avondeten aan het koken. On jest w trakcie gotowania kolacji.
wij / we zijn Wij zijn in de tuin aan het werken. Jesteśmy w trakcie pracy w ogrodzie.
jullie zijn Jullie zijn koffie aan het drinken. Jesteście w trakcie picia kawy.
zij (oni / one) zijn Zij zijn met de baas aan het praten. Są w trakcie rozmowy z szefem.

Gdzie w zdaniu stoi aan het + infinitief?

  • aan het + bezokolicznik stoi po formie „zijn”.
  • Cała ta część zachowuje się jak „jeden duży czasownik”.

Prosty szyk zdania (bez innych czasowników):

  • Ik ben een rapport aan het lezen.
  • Wij zijn de klanten aan het bellen.

Uwaga: w zwykłym zdaniu prostym aan het + infinitief nie wędruje na koniec – stoi tuż po „zijn”.

„Zijn aan het” a polski czas teraźniejszy

  • W wielu sytuacjach możesz użyć zwykłego czasu teraźniejszego zamiast tej konstrukcji.
  • zijn aan het bardziej podkreśla trwanie (tak jak w angielskim „I am working”).

Oba zdania są poprawne, różnica jest subtelna:

  • Ik lees een e‑mail. – Czytam e‑mail.
  • Ik ben een e‑mail aan het lezen. – Jestem właśnie w trakcie czytania tego e‑maila.

Typowe błędy i na co uważać

  • Zawsze używaj jako czasownika posiłkowego formy zijn (ben, bent, is, zijn).

Niepoprawnie:

  • *Ik werk aan het lezen.*
  • *Ik aan het lezen ben.*

Poprawnie:

  • Ik ben aan het lezen.
  • Ik ben een rapport aan het lezen.
  • Nie dodawaj drugiego bezokolicznika typu *zijn werken* – po aan het stoi już tylko jeden bezokolicznik.

Błędnie:

  • *Wij zijn aan het werken maken.*

Dobrze:

  • Wij zijn een planning aan het maken.

Szybki test: czy użyć „zijn aan het”?

Zadaj sobie trzy krótkie pytania:

  1. Czy ta czynność dzieje się dokładnie teraz?
    Jeśli tak → konstrukcja jest możliwa.
  2. Czy chcę podkreślić, że jestem „w trakcie”?
    Jeśli tak → zijn aan het jest dobrym wyborem.
  3. Czy w zdaniu mam formę „zijn” + „aan het” + 1 bezokolicznik?
    Jeśli tak → struktura jest poprawna gramatycznie.

Mini‑ćwiczenie samokontroli

Spróbuj na głos stworzyć 3 zdania według wzoru:

  1. ik ben … aan het …
    np. Ik ben een boodschap aan het schrijven.
  2. hij / zij is … aan het …
    np. Zij is koffie aan het halen.
  3. wij zijn … aan het …
    np. Wij zijn de vergadering aan het voorbereiden.
  • Sprawdź: czy w każdym zdaniu masz osobę + poprawną formę „zijn” + aan het + bezokolicznik?
  • Jeśli tak – opanowałeś podstawowy schemat i możesz spokojnie przejść do dialogów.
  1. Formuła: zijn + aan het + infinitief.
  2. Używana do opisywania czynności, które odbywają się w tym momencie.
  3. Zawsze używaj czasownika 'zijn' jako czasownika posiłkowego.
Persoon (Osoba)Voorbeeld (Przykład)
IkIk ben bloemen aan het zaaien. (Sieję kwiaty.)
JijJij bent de planten aan het sproeien. (Zraszasz rośliny.)
Hij/ZijHij/zij is aan het planten. (On/ona coś sadzi.)
WijWij zijn aan het werken in de tuin. (Pracujemy w ogrodzie.)
JullieJullie zijn aan het spelen buiten. (Bawicie się na dworze.)
ZijZij zijn aan het voetballen. (Oni grają w piłkę nożną.)

Ćwiczenie 1: Wielokrotny wybór

Instrukcja: Wybierz poprawną odpowiedź

1. Ik _____ de planten op kantoor aan het sproeien, want ze zijn heel droog.

Ik _____ de planten op kantoor aan het sproeien, want ze zijn heel droog.)

2. Wij _____ nieuwe bloemen aan het zaaien in de voortuin.

Wij _____ nieuwe bloemen aan het zaaien in de voortuin.)

3. U _____ de boom aan het snoeien en ik ben de stenen aan het verplaatsen.

U _____ de boom aan het snoeien en ik ben de stenen aan het verplaatsen.)

4. Zij _____ kamerplanten aan het kiezen voor hun nieuwe kantoor.

Zij _____ kamerplanten aan het kiezen voor hun nieuwe kantoor.)

Ćwiczenie 2: Przepisz zwroty

Instrukcja: Przepisz zdania używając konstrukcji „być w trakcie + bezokolicznik”, aby pokazać, że czynność trwa teraz.

Pokaż/Ukryj tłumaczenie Pokaż/Ukryj podpowiedzi
  1. Ik lees een boek over tuinieren.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik ben een boek over tuinieren aan het lezen.
    (Ik ben een boek over tuinieren aan het lezen.)
  2. Jij kookt vanavond pasta voor je vrienden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jij bent vanavond pasta voor je vrienden aan het koken.
    (Jij bent vanavond pasta voor je vrienden aan het koken.)
  3. Hij maakt foto’s van de bloemen in de tuin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij is foto’s van de bloemen in de tuin aan het maken.
    (Hij is foto's van de bloemen in de tuin aan het maken.)
  4. Wij werken samen in de tuin van het kantoor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij zijn samen in de tuin van het kantoor aan het werken.
    (Wij zijn samen in de tuin van het kantoor aan het werken.)
  5. Jullie pakken nieuwe planten in het tuincentrum.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie zijn nieuwe planten in het tuincentrum aan het inpakken.
    (Jullie zijn nieuwe planten in het tuincentrum aan het inpakken.)
  6. Zij praten met de medewerker over potgrond.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Zij zijn met de medewerker over potgrond aan het praten.
    (Zij zijn met de medewerker over potgrond aan het praten.)

Ćwiczenie 3: Gramatyka w praktyce

Instrukcja: Zagraj krótką rozmowę: powiedz, co ty i twój kolega teraz robicie.

Pokaż/Ukryj tłumaczenie
Sytuacja
Je collega komt langs; samen kijken jullie naar kamer- en tuinplanten.
(Twój kolega przychodzi; razem oglądacie rośliny doniczkowe i ogrodowe.)

Omówić
  • Wat ben jij nu met de planten aan het doen? (Co teraz robisz z roślinami?)
  • Wat is je collega aan het doen in de tuin of op kantoor? Noem minstens twee personen (bijv. jij en de tuinman). (Co robi twój kolega w ogrodzie lub w biurze? Wymień przynajmniej dwie osoby (np. ty i ogrodnik).)

Przydatne słowa i zwroty
  • Ik ben de planten water aan het geven. (Ik ben de planten water aan het geven.)
  • Hij is de bloemen aan het sproeien. (Hij is de bloemen aan het sproeien.)
  • Wij zijn zaden in de aarde aan het zaaien bij de boom. (Wij zijn zaden in de aarde aan het zaaien bij de boom.)

Użyj w rozmowie
  • ik ben … aan het + infinitief (ik ben … aan het + infinitief)
  • hij/zij is … aan het + infinitief (hij/zij is … aan het + infinitief)
  • wij zijn … aan het + infinitief (wij zijn … aan het + infinitief)

Napisane przez

Ta treść została zaprojektowana i sprawdzona przez zespół pedagogiczny coLanguage. O coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Biznes i języki

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Ostatnia aktualizacja:

środa, 18/02/2026 17:05