Gebruik 'zijn aan het' + infinitief om lopende acties te beschrijven,.

(Use 'zijn aan het' + infinitief to describe ongoing actions.)

1. What does zijn + aan het + infinitive mean?

  • In Dutch, zijn + aan het + infinitive is used for an action that is in progress now.
  • It is close to English “to be + -ing”:
    • Ik ben aan het koken. → “I am cooking (right now).”
  • You hear it a lot in spoken Dutch, especially to make “now” very clear.

2. The basic building block

Always think in this simple formula:

persoon + zijn (conjugated) + aan het + infinitive

Person Form of zijn Example Meaning
ik ben Ik ben aan het lezen. I am reading.
jij / je bent Jij bent aan het schrijven. You are writing.
hij / zij / ze is Zij is aan het bellen. She is calling.
wij / we zijn Wij zijn aan het werken. We are working.
jullie zijn Jullie zijn aan het praten. You (plural) are talking.
zij / ze (plural) zijn Zij zijn aan het sporten. They are exercising.
  • The verb after aan het is always the infinitive (dictionary form): werken, lezen, koken, schrijven.
  • Never change this verb: not werkend, not geschreven, etc.

3. Step‑by‑step: how to build the sentence

  1. Start with a simple present tense sentence.
    • Ik werk in de tuin. (I work in the garden.)
  2. Take the subject and the correct form of zijn.
    • ik → ben, jij → bent, hij → is, etc.
    • For our example: Ik ben …
  3. Add “aan het” + infinitive.
    • The infinitive is the basic form of the action: werken, lezen, koken.
    • Example: aan het werken.
  4. Put the rest of the sentence around it.
    • Place objects and prepositional phrases before or after the activity, like in normal word order.
    • Ik ben in de tuin aan het werken.

Result: Ik ben in de tuin aan het werken. = “I am working in the garden (right now).”

4. Word order: where do other words go?

The core stays together: zijn + aan het + infinitive. Around this core, you place other information.

  • Simple pattern in main clauses:
    • [Subject] – [zijn] – [extra info] – aan het – [infinitive] – [extra info]
Pattern Example Meaning
Subject – zijn – aan het – infinitive – object Hij is aan het koken het avondeten. He is cooking dinner.
Subject – zijn – object – aan het – infinitive Hij is het avondeten aan het koken. He is cooking dinner.
Subject – zijn – place – aan het – infinitive Wij zijn in de tuin aan het werken. We are working in the garden.
  • Both positions (object before or after aan het) are possible and common.
  • At A1 level, it is safe to put aan het + infinitive at the end:
    • Wij zijn een planning voor het project aan het maken.

5. Common mistakes to avoid

  • 1. Using the wrong form of “zijn”
    • Ik is aan het lezen.
    • Ik ben aan het lezen.
    • Jullie bent aan het koken.
    • Jullie zijn aan het koken.
  • 2. Changing the main verb
    • Hij is aan het kookt.
    • Hij is aan het koken.
    • Zij zijn aan het geschreven.
    • Zij zijn aan het schrijven.
  • 3. Leaving out “aan het”
    • Wij zijn werken in de tuin.
    • Wij zijn aan het werken in de tuin.

6. When do you use this form (and when not)?

  • Use “zijn aan het” when:
    • the action is happening right now.
    • you want to emphasise that it is in progress.
Dutch Meaning / nuance
Ik werk in de tuin. I work in the garden (general) / I’m working in the garden (context tells us).
Ik ben in de tuin aan het werken. I am working in the garden right now.
  • Do not use it for
    • habits or routines: Ik werk vaak in de tuin.
    • future with clear time: Vanavond werk ik in de tuin. (neutral, future meaning).

7. Quick comparison with English

  • English: to be + -ing
    • I am reading / he is working / we are cooking.
  • Dutch has two options:
    • Simple present: Ik lees. / Hij werkt. / Wij koken.
    • Ongoing: Ik ben aan het lezen. / Hij is aan het werken. / Wij zijn aan het koken.
  • At A1 level it is useful to associate:
    • am/are/is + -ing → zijn + aan het + infinitive.

8. Self‑check: can you do these three things?

Use this as a short checklist. If you can do all three, you understand the structure.

  1. Choose the correct form of “zijn”.
    • Say out loud:
      • Ik … aan het lezen.
      • Jij … aan het schrijven.
      • Hij … aan het koken.
      • Wij … aan het werken.
    • Correct answers: ben, bent, is, zijn.
  2. Keep the infinitive form.
    • Can you complete these with an infinitive?
      • Ik ben aan het … (lezen / werken / koken)
      • Zij zijn aan het … (praten / sporten / bellen)
  3. Describe what you are doing right now.
    • Make 2–3 real sentences about your situation, for example:
      • Ik ben een e-mail aan het schrijven.
      • Ik ben Nederlands aan het studeren.
      • Mijn collega is koffie aan het halen.

If you can do this without thinking too long, you are ready to use this form in conversation.

  1. Formula: zijn + aan het + infinitief.
  2. It is used for actions that are happening right now.
  3. Always use the verb 'zijn' as an auxiliary verb.
Persoon (Person)Voorbeeld (Example)
IkIk ben bloemen aan het zaaien. (I am sowing flowers.)
JijJij bent de planten aan het sproeien. (You are spraying the plants.)
Hij/ZijHij/zij is aan het planten. (He/she is planting.)
WijWij zijn aan het werken in de tuin. (We are working in the garden.)
JullieJullie zijn aan het spelen buiten. (You are playing outside.)
ZijZij zijn aan het voetballen. (They are playing football.)

Exercise 1: Multiple choice

Instruction: Choose the correct answer

1. Ik _____ de planten op kantoor aan het sproeien, want ze zijn heel droog.

I _____ the plants in the office because they're very dry.)

2. Wij _____ nieuwe bloemen aan het zaaien in de voortuin.

We _____ sowing new flowers in the front garden.)

3. U _____ de boom aan het snoeien en ik ben de stenen aan het verplaatsen.

You _____ trimming the tree and I'm moving the stones.)

4. Zij _____ kamerplanten aan het kiezen voor hun nieuwe kantoor.

They _____ choosing houseplants for their new office.)

Exercise 2: Rewrite the phrases

Instruction: Rewrite the sentences using the construction ‘zijn aan het + infinitive’ to show that the action is happening now.

Show/Hide translation Show/Hide hints
  1. Ik lees een boek over tuinieren.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik ben een boek over tuinieren aan het lezen.
    (Ik ben een boek over tuinieren aan het lezen.)
  2. Jij kookt vanavond pasta voor je vrienden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jij bent vanavond pasta voor je vrienden aan het koken.
    (Jij bent vanavond pasta voor je vrienden aan het koken.)
  3. Hij maakt foto’s van de bloemen in de tuin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij is foto’s van de bloemen in de tuin aan het maken.
    (Hij is foto's van de bloemen in de tuin aan het maken.)
  4. Wij werken samen in de tuin van het kantoor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij zijn samen in de tuin van het kantoor aan het werken.
    (Wij zijn samen in de tuin van het kantoor aan het werken.)
  5. Jullie pakken nieuwe planten in het tuincentrum.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie zijn nieuwe planten in het tuincentrum aan het inpakken.
    (Jullie zijn nieuwe planten in het tuincentrum aan het inpakken.)
  6. Zij praten met de medewerker over potgrond.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Zij zijn met de medewerker over potgrond aan het praten.
    (Zij zijn met de medewerker over potgrond aan het praten.)

Exercise 3: Grammar in action

Instruction: Play a short conversation: say what you and your colleague are doing now.

Show/Hide translation
Situation
Je collega komt langs; samen kijken jullie naar kamer- en tuinplanten.
(Your colleague stops by; together you look at indoor and garden plants.)

Discuss
  • Wat ben jij nu met de planten aan het doen? (What are you doing with the plants right now?)
  • Wat is je collega aan het doen in de tuin of op kantoor? Noem minstens twee personen (bijv. jij en de tuinman). (What is your colleague doing in the garden or in the office? Mention at least two people (for example: you and the gardener).)

Useful words and phrases
  • Ik ben de planten water aan het geven. (Ik ben de planten water aan het geven.)
  • Hij is de bloemen aan het sproeien. (Hij is de bloemen aan het sproeien.)
  • Wij zijn zaden in de aarde aan het zaaien bij de boom. (Wij zijn zaden in de aarde aan het zaaien bij de boom.)

Use in conversation
  • ik ben … aan het + infinitief (ik ben … aan het + infinitief)
  • hij/zij is … aan het + infinitief (hij/zij is … aan het + infinitief)
  • wij zijn … aan het + infinitief (wij zijn … aan het + infinitief)

Written by

This content has been designed and reviewed by the coLanguage pedagogical team: About coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Business and languages

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Last Updated:

Wednesday, 18/02/2026 17:05