Gebruik 'zijn aan het' + infinitief om lopende acties te beschrijven,.

Wat zeg je met ‘zijn + aan het + infinitief’?

  • Met zijn + aan het + infinitief zeg je dat een actie nu bezig is.
  • Het lijkt op het Engelse “to be …ing” (I am working) of Franse “être en train de”.
  • Voorbeeld: Ik ben een rapport aan het schrijven. → ik doe dit op dit moment.

De basisformule in één oogopslag

Persoon Vorm van zijn Schema Voorbeeld
ik ben ik + ben + … aan het + infinitief Ik ben koffie aan het zetten.
jij / je bent jij + bent + … aan het + infinitief Jij bent een e-mail aan het schrijven.
hij / zij is hij + is + … aan het + infinitief Hij is aan het bellen.
wij zijn wij + zijn + … aan het + infinitief Wij zijn een planning aan het maken.
jullie zijn jullie + zijn + … aan het + infinitief Jullie zijn de tuin aan het opruimen.
zij (meervoud) zijn zij + zijn + … aan het + infinitief Zij zijn met de klant aan het praten.

Stap voor stap: zo bouw je de zin

  1. Kies de juiste persoon

    Bijvoorbeeld: ik / jij / hij / wij / jullie / zij.

  2. Kies de juiste vorm van zijn
    • ik ben
    • jij bent
    • hij / zij is
    • wij / jullie / zij zijn
  3. Voeg toe: aan het

    Dit stuk verandert nooit: altijd aan het.

  4. Zet de infinitief (hele werkwoord) achteraan

    Bijvoorbeeld: werken, schrijven, koken, opruimen.

Voorbeeld: “wij – vergaderen” → Wij zijn aan het vergaderen.

Waar komt ‘aan het …’ in de zin?

  • De hele constructie blijft meestal bij elkaar:
1 Subject 2 zijn 3 rest van de zin 4 aan het + infinitief
Wijzijn – de agenda – aan het bespreken.
  • Na zijn kun je eerst het object of tijd zetten en dan aan het + infinitief.
  • Dat voelt natuurlijker dan: Wij zijn aan het de agenda bespreken.

Goed: Wij zijn de cijfers aan het controleren.
Niet goed: Wij zijn aan het de cijfers controleren.

‘Ik werk’ of ‘ik ben aan het werken’?

  • Beide zijn grammaticaal goed.
  • Ik werk in de tuin. = een algemene beschrijving of nu, maar neutraal.
  • Ik ben in de tuin aan het werken. = de focus ligt op de actie op dit moment.

Gebruik zijn aan het als je echt wilt benadrukken: “Dit gebeurt nu, op dit moment.”

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze herkent)

  • 1. Verkeerde vorm van ‘zijn’

    Hij zijn aan het koken.Hij is aan het koken.

    Ik bent aan het lezen.Ik ben aan het lezen.

  • 2. ‘aan het’ vergeten

    Wij zijn werken in de tuin.Wij zijn in de tuin aan het werken.

  • 3. Geen infinitief gebruiken

    Na aan het komt altijd de infinitief.

    Ik ben aan het schreef.Ik ben aan het schrijven.

  • 4. De volgorde rond het object

    Jij bent aan het een e-mail schrijven.Jij bent een e-mail aan het schrijven.

Zelfcheck: kan ik de vorm maken?

  1. Kijk naar de zin: “Ik lees de notulen.”

    Kun jij dit omzetten naar de aan het-vorm?

    Controleer: Subject + goede vorm van zijn + (object) + aan het + infinitief.

    Oplossing: Ik ben de notulen aan het lezen.

  2. Controleer jezelf bij nieuwe zinnen:

    • Heb ik de juiste persoon? (ik / jij / hij / wij / jullie / zij)
    • Heb ik de juiste vorm van zijn? (ben / bent / is / zijn)
    • Staat aan het erin?
    • Eindigt de zin met de infinitief?

Waar moet je vooral op letten?

  • Altijd het werkwoord zijn als hulpwerkwoord.
  • Altijd de combinatie aan het + infinitief aan het eind van de werkwoordgroep.
  • Plaats objecten (de planten, de mail, het rapport) vóór aan het + infinitief.
  • Gebruik de vorm vooral als je de actie nu wilt benadrukken, niet als algemene gewoonte.

Als je op deze punten let, kun je de constructie zelfstandig en zeker gebruiken in gesprekken.

  1. Formule: zijn + aan het + infinitief.
  2. Wordt gebruikt voor acties die op dit moment bezig zijn.
  3. Gebruik altijd het werkwoord 'zijn' als hulpwerkwoord.
PersoonVoorbeeld
IkIk ben bloemen aan het zaaien.
JijJij bent de planten aan het sproeien.
Hij/ZijHij/zij is aan het planten.
WijWij zijn aan het werken in de tuin.
JullieJullie zijn aan het spelen buiten.
ZijZij zijn aan het voetballen.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ik _____ de planten op kantoor aan het sproeien, want ze zijn heel droog.


2. Wij _____ nieuwe bloemen aan het zaaien in de voortuin.


3. U _____ de boom aan het snoeien en ik ben de stenen aan het verplaatsen.


4. Zij _____ kamerplanten aan het kiezen voor hun nieuwe kantoor.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met de constructie ‘zijn aan het + infinitief’ om te laten zien dat de actie nu bezig is.

Toon/verberg hints
  1. Ik lees een boek over tuinieren.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik ben een boek over tuinieren aan het lezen.
  2. Jij kookt vanavond pasta voor je vrienden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jij bent vanavond pasta voor je vrienden aan het koken.
  3. Hij maakt foto’s van de bloemen in de tuin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij is foto’s van de bloemen in de tuin aan het maken.
  4. Wij werken samen in de tuin van het kantoor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij zijn samen in de tuin van het kantoor aan het werken.
  5. Jullie pakken nieuwe planten in het tuincentrum.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie zijn nieuwe planten in het tuincentrum aan het inpakken.
  6. Zij praten met de medewerker over potgrond.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Zij zijn met de medewerker over potgrond aan het praten.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Speel een kort gesprek: vertel wat jij en je collega nu aan het doen zijn.

Situatie
Je collega komt langs; samen kijken jullie naar kamer- en tuinplanten.

Bespreek
  • Wat ben jij nu met de planten aan het doen?
  • Wat is je collega aan het doen in de tuin of op kantoor? Noem minstens twee personen (bijv. jij en de tuinman).

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ik ben de planten water aan het geven.
  • Hij is de bloemen aan het sproeien.
  • Wij zijn zaden in de aarde aan het zaaien bij de boom.

Gebruik in gesprek
  • ik ben … aan het + infinitief
  • hij/zij is … aan het + infinitief
  • wij zijn … aan het + infinitief

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 17:05